Warning: Use of undefined constant translate_tb_widget_register - assumed 'translate_tb_widget_register' (this will throw an Error in a future version of PHP) in /var/www/libertiesalliance.org/public_html/wp-content/plugins/translate-this-button/ttb-sidebar-widget.php on line 129
Wat verstaat men onder sharia, waar komt deze vandaan en waarom is dit zo belangrijk? (De toespraak van Hans Jansen op het ICLA-congres in Brussel op 9 juli 2012) :: Liberties Alliance

Wat verstaat men onder sharia, waar komt deze vandaan en waarom is dit zo belangrijk? (De toespraak van Hans Jansen op het ICLA-congres in Brussel op 9 juli 2012)

By • on August 5, 2012

 

De islamitische sharia is een rechtssysteem. Ze is een verzameling van verboden, aansporingen en bevelen m.b.t. menselijk gedrag. De sharia is geen interne aangelegenheid, die slechts de islam en de moslims betreft. De sharia bevat een groot aantal bepalingen over mensen, die geen moslims zijn. Deze regels zijn normaal gesproken verbodsbepalingen waar zware straffen op staan als ze worden overtreden. Deze regelingen van de sharia maken het leven onzeker en onveilig voor diegenen, die onder het shariarecht leven en die geen moslims zijn.

Volgens het shariarecht bezit niemand, die geen moslim is, onvervreemdbare rechten. Als ik dat verkeerd zie, zou ik opgelucht en blij zijn als men mij verbetert en als ik e-mails krijg, die me uitleggen waarom ik me vergist heb. Maar als ik gelijk heb, dan heeft een gevangene in Guantánamo meer rechten dan een Jood of een christen die onder het shariarecht leeft.

Anders dan de rechtssystemen van de meeste moderne nationale staten is de sharia niet onderworpen aan democratische controle. Net zoals het internationale en rabbijnse recht is de sharia een academische aangelegenheid: Deskundigen en discussiëren en debatteren over de regels tot ze tot een overeenstemming komen.

Shariarecht kent geen parlement of regering die als wetgever fungeert, maar de regels van de sharia komen tot stand doordat deskundigen het onder elkaar eens worden. Die deskundigen zijn de islamitische, religieuze leiders, professionele moslims, de oelema, ayatollahs of hoe die hoogwaardigheidsbekleders ook maar mogen heten.

De meesten van u zullen, net zoals ik, slechts oppervlakkig op de hoogte zijn van het internationale recht. De aanspraken van het internationale recht werden tot nu toe nog niet onderworpen aan de test van een vrije en democratische stemming.

Het was zacht uitgedrukt interessant om te zien hoe vaak de aanklagers van Geert Wilders in de jaren 2010 en 2011 een beroep deden op wat zij als algemeen erkend internationaal recht beschouwden om Geert Wilders tot zwijgen te brengen.

Dit internationale recht demonstreert hoe gemeenschappen van academische specialisten in hun isolement de neiging hebben om een mate van pedanterie te ontwikkelen die een gekozen wetgever zich nooit zou kunnen permitteren. Tot op zekere hoogte is dit precies hetgeen er met de sharia gebeurt.

Religies zijn niet democratisch, ook al prediken ze vaak democratie of tolereren ze deze. Daarom is de wijze waarop de regels van de islamitische wet ontstaat ondemocratisch.

Dit houdt in, dat wanneer men toestaat dat de sharia of delen ervan de wet laten worden in een westers land, dit het democratische karakter van dat land zal verminderen. De sharia ergens invoeren betekent dat men de wetgevende macht aan ongekozen, zelfbenoemde mannen afstaat, die onbekend en anoniem zijn, die opereren in moskeeën ver weg in Pakistan of Afghanistan. In een democratie is dit geen ideale toestand. Men kan er weliswaar om godsdienstige redenen desalniettemin de voorkeur te geven aan zo´n constructie, maar ger gevolg is iets ergers dan belastingen zonder inspraak: Het brengt een wetgeving zonder inspraakrecht met zich mee.

Westerse politieke beleidsbepalers nemen het shariarecht niet al te serieus, omdat het een academische en religieuze zaak is, een rechtssysteem, dat niet voorkomt uit de staatsmacht, maar uit de geest van religieuze geleerden. In de islamitische wereld is de autoriteit van de sharia echter overweldigend.

Het kolossale prestige van de sharia in de wereld van de islam is eenvoudig te verklaren: De islamitische ideologie identificeert shariarecht met de wil van Allah, en shariaspecialisten zijn de religieuze leiders van de islamitische gemeenschap. Geen enkele regering in de islamitische wereld kan het zich permitteren deze specialisten van het religierecht van zich te vervreemden als men aan de macht wil blijven.

Ieder individueel islamitisch land onderhoudt zijn eigen evenwicht tussen regering en religieuze specialisten. Dit constant wisselende evenwicht is onderwerp van promoties en dissertaties.

Desalniettemin bezitten de meeste islamitische landen rechtssystemen, die beïnvloed zijn door, maar niet identiek zijn aan het traditionele shariarecht. Voor de leiders van de radicale islamitische bewegingen is dit niet aan elkaar gelijk zijn van de sharia en het nationale recht een bron van permanente ergernis. De kleinste discrepantie tussen shariarecht en landsrecht is permanente conflictstof om hun propagandamachines op volle toeren te brengen, want zo’n verschil biedt het bewijs dat er een menselijke wetgever in de plaats van Allah wil treden en probeert Allahs wetgevend werk te verbeteren. Dit is blasfemie, omdat Allah de enige wetgever moet blijven.

Het shariarecht is geen praktisch rechtssysteem, dat vanuit de rechtbank werd ontwikkeld. Het is een product van de overwegingen van de geleerden en is niet ontstaan uit de praktische overwegingen van rechters, advocaten, officieren van justitie of verdedigers. Daarom is de sharia zwak in het procesrecht. Het is een theoretisch, abstract rechtssysteem, dat in academies werd bedacht. Dit verklaart de meeste van zwaktes en mazen van de sharia.

Desalniettemin beweren de islamitische theologen dat het shariarecht goddelijk zou zijn. Als er onbekende, nieuwe vragen ontstaan, waarop het shariarecht geen antwoord kan bieden, dan stellen shariaspecialisten, in ieder geval theoretisch, een oplossing voor, die op de vier principes of “wortels” van de sharia berust. Deze vier principes zullen in discussies over de sharia steeds weer opnieuw opduiken. Het zijn koran, Hadith, analogie en consensus.

De vierde wortel, overeenstemming of consensus, is voor alle praktische doelen het belangrijkste criterium. Als er eenmaal consensus werd bereikt, wordt het onnodig de andere bronnen erbij te halen.

Theorie en theologie echter kennen het meeste gezag toe aan de eerste van deze vier wortels, de koran, maar in de praktijk kan de tekst van de koran door de andere bronnen aangevuld of geïnterpreteerd worden of door een andere tekst uit de koran zelf. Hier komen we een belangrijk principe van zowel het shariarecht als de koran tegen. Dit principe van de “abrogatie”, naskh in het Arabisch, wordt vaak verkeerd begrepen. “Abrogatie” betekent, dat een vers uit de koran, dat op een eerder tijdstip werd geopenbaard, herroepen of “geabrogeerd” wordt door een vers dat op een later tijdstip werd geopenbaard. Vaak kan zelfs een element uit een van de andere drie bronnen de inhoud van een vers uit de koran abrogeren. Islamitische geleerden analyseren alle mogelijke denkbare gevallen.

Het bekendste voorbeeld van een abrogatie betreft een ieder, die geen moslim is: De abrogatie van soera 109, een soera uit de Mekkaanse periode, die religieuze tolerantie predikt. Deze soera werd door latere verzen uit Medina geabrogeerd, die de moslims bevelen tegen de ongelovigen te vechten en hen te doden wanneer ze hen ook maar vinden.

Tegen welk probleem de islamitische geleerden ook maar aanlopen, binnen enkele generaties zullen ze overeenstemming bereikt hebben en dan kan men Mohammeds richtlijn toepassen dat “Allah (zijn)  volk niet zal toestaanovereen te stemmen in een dwaling”, lan tagtami? ummattii? alaa dalaal.

Deze belangrijke richtlijn speelt in het shariasysteem een centrale rol. Zijn toepassing heeft vele onvoorziene consequenties. Als men een shariaregel wil afschaffen, waarover men voordien overeenstemming had bereikt, dan houdt dit in dat Mohammeds oemma wel een verkeerde weg is gegaan.

Maar volgens verklaringen van de profeet was dat niet zo. Daarom is het compleet onmogelijk om op de regels terug te komen waarover men eenmaal overeenstemming heeft bereikt. Dit soort gevallen, waar moeilijkheden en pijnlijkheden ontstaan, zijn talrijk: Denkt u aan de shariastraffen voor apostasie, overspel of diefstal.
Een bekend voorbeeld van abrogatie is het verbod op wijn. In de vroege verzen spreekt de koran positief over wijn, later verbiedt hij hem. Maar hoe weten welk vers er het eerst was? Dit komen we alleen van de shariaspecialisten te weten. Maar hoe weten zij dat? Welnu, omdat wijn verboden is, moet het vers, dat wijn verbiedt, van latere datum zijn dan het vers dat de wijn looft. Buitenstaanders zullen hier een kringloopredeneringen vermoeden, maar voor de traditionele moslims wordt dit alles de ondersteund door de Allerhoogste en het bevestigt hen dat ze verloren zouden zijn zonder de geleerden en de kennis van de experts, die de religieuze autoriteit in de islam belichamen.

De vrienden van de islam beschouwen de zogenaamde flexibiliteit van de islamitische wet als teken van zijn humane en liberale karakter. Dit is echter een fout. Flexibele wetten zijn niet humaan, maar gevaarlijk, omdat de burgers niet weten waarvoor ze opgesloten of terechtgesteld kunnen worden. Islamitisch recht, hoewel men daarvan beweert dat het flexibel zou zijn, is in een groot aantal gevallen eenstemmig.

Overeenstemming, consensus, daarop is het systeem opgebouwd. Geen belangrijke meningsverschillen over die punten van de wet die belangrijk zijn voor diegenen die niet islamitische zijn, wat de vrienden van de islam ook mogen zeggen.

Als men de verhevenheid van Mohammed, de profeet van de islam, niet erkent, dan wordt dit over het algemeen als halsmisdaad beschouwt. Als de rechtbank of de regeringen de aangeklaagde niet terechtstellen, zullen spontaan informele vrijwilligers zich ertoe geroepen voelen om deze last op hun schouders te nemen, wat de persoonlijke gevolgen voor hen zelf ook zullen zijn.

Moderne, westerse geleerden hebben twijfels over de oorsprongen van de sharia. Zij denken, dat de sharia een voortzetting van het Romeinse provincierecht zou zijn, dat in het Romeinse Rijk in het Midden-Oosten vlak voor voor de veroveringen van de Arabieren gold. Een aantal geleerden van de 20e eeuw hebben geschreven over de relatie tussen Romeins en islamitisch recht. Het is heel duidelijk te herkennen, dat de figuur van de moefti een doorontwikkeling van de rechtswetenschappelijke geleerde is, bekend uit het Romeinse recht en er zijn nog talrijke andere voorbeelden voorhanden.

De sterke invloeden van het Talmoedische, rabbijnse recht op de sharia zijn onmiskenbaar en geen wonder, want de Talmoed en de sharia ontstonden ongeveer in dezelfde periode in Irak, in de 7e tot de 9e eeuw na Christus. De fatwa´s hebben uiteraard exact dezelfde functie als de rabbijnse Teshuvot  en de Responsa van het Romeinse recht.

De moslims denken, dat hun religieuze specialisten de regels van de sharia uit hun vier bronnen ontwikkeld hebben: koran, Hadith, analogie en consensus. Moderne westerse geleerden echter hebben vaak gemeend dat de regels van de sharia zich niet uit de vier “wortels” hebben ontwikkeld, maar dat de regels en voorschriften achteraf in deze vier “wortels” werden verankerd.

Maar ook dit is weer stof voor doctoraalscripties. Deze academische vragen zouden ons echter niet moeten ophouden, we hebben een belangrijkere plicht: Om uit te leggen waarom we ons met op de sharia zouden moeten concentreren en niet op de koran of op Mohammed, als we ons teweer willen stellen tegen de bestorming van de islam.

Modern westers onderzoek over de koran en het leven van Mohammed heeft sinds de eeuwwisseling grote vooruitgang geboekt. Als consequentie zijn de traditionele opvattingen m.b.t. Mohammed en de koran onhoudbaar gebleken. Of Mohammed echt bestaan heeft, is onzekerder dan ooit tevoren. Twee eeuwen geduldig onderzoek heeft voor serieuze twijfels gezorgd over de historiciteit van de profeet van de islam. Deze twijfels zullen niet meer verdwijnen, hoe klein en onbetekenend het aantal academici ook is dat op dit terrein werkzaam is.

Het algemene beeld, dat de koran en de islamitische overleveringen aanbiedt over de achtergrond waartegen Mohammed gewerkt heeft, eerst als een profeet, daarna als profeet en staatsman, het algemene beeld van Mekka en Medina in het begin van de 7eeeuw, wordt niet door de resultaten van archeologisch onderzoek en inscripties bevestigd, voor zover deze voorhanden zijn. Dat kan uiteraard veranderen als het onderzoek vooruitgang boekt, maar het is geen goed teken, vooral, omdat datgene dat wel gevonden werd op het eerste gezicht in tegenspraak is met de traditionele opvattingen.

De literaire overlevering over Mohammeds biografie ziet eruit als een onsystematische verzameling van elkaar tegensprekende preken, die desalniettemin alle hun gehoor ervan willen overtuigen dat een zekere Mohammed de boodschapper van Allah zou zijn. Het literaire materiaal, voor zo ver dat bewaard is gebleven, ziet er helemaal niet uit alsgeschiedschrijving. Dit is niet noodzakelijkerwijs rampzalig, maar het is geen goed teken. Munt- en penningkundigen bevestigen niet de islamitische versie van de vroege geschiedenis van de islam. Dit alleen is nog niet overtuigend, maar het is ook geen goed teken. Er bestaan verschillen tussen datgene wat we weten over de Antieke Arabische kalender en de berichte verhalen over Mohammed. Dit hoeft nog niet fataal te zijn, maar het komt er behoorlijk dichtbij.

De ware moslims echter delen deze twijfels over hun geliefde profeet niet. Het gilde van de islamitische, religieuze leiders anderzijds zal echter verdergaan dan deze twijfels niet te delen:

Zij zullen verontwaardigd en woedend zijn wanneer de moderne westerse geleerden de islamitische versie van de vroege geschiedenis van d eislam als een vertelling ontmaskeren, die vanuit theologische noodzaak werd gecreëerd, als preken, die werden gecamoufleerd als geschiedenis. Vanzelfsprekend zullen vele moslims bereid zijn naar de zware wapens te grijpen om hun religie tegen zulke aanvallen te verdedigen.

Er is echter een manier om de islamitische verdediging te omzeilen, die zo vroom islamitisch klinkt als deze dingen nu eenmaal zijn. Het kan zelfs effectief zijn. De koran stelt onbetwistbaar vast, dat hij in duidelijke Arabische taal werd geschreven, lisaan Aarabii mubiin. “Welnu”, zal men zich afvragen, “waarom, als dit waar is, hebben we dan korancommentaren nodig van meerdere duizenden pagina´s?” De vraag alleen al schept verlegenheid, maar we moeten nog een pijnlijker vraag stellen, waarbij het om de autoriteit van de klassieke voorvaderen van de sharia gaat: de vier giganten al-Shaafi’ii, abu Haniifa, Malik en Ahmad ibn Hanbal, allemaal rondom 800 na Chr, behalve Malik, uit het geografische gebied van Irak afkomstig:

 

“Waarom hebben we deze vier shariageleerden nodig om ons uit te leggen welke daden in de islam verboden en welke voorgeschreven zijn?” “Als de koran duidelijk is, waarom hebben we deze coryfeeën nodig? Wat wisten zij meer dan wat Mohammed wist? Wat wisten zij, dat uit de verzen van de koran niet duidelijk naar voren komt?”

Deze vragen irriteren niet noodzakelijkerwijs de islamitische leken. Desalniettemin zullen ze zorgen voor woedende shariageleerden. Want het zijn deze mannen, die de rol van de clerus in het christendom spelen, zij zijn een macht waarmee men rekening moet houden. Zij zijn zonder twijfel een spirituele kracht, maar enkele van hun jongere ondersteuners houden zich niet al te zeer bezig met de scheiding tussen ziel en lichaam en ze aarzelen niet om alle noodzakelijke stappen te ondernemen om gehoorzaamheid aan de wensen van deze mannen van de clerus af te dwingen.

Islamitische leken zijn het in de regel eens met alles wat de professionele moslims onderwijzen en prediken. De macht, die dit gilde van de islamitische shariaspecialisten over hun kudde uitoefent is verbazingwekkend en heeft in de geschiedenis niets wat daarop lijkt. Deze macht is gebaseerd op sociale druk en functioneert op de meest simpele wijze:

De uitvoering van de voorschriften van de eigen religie schept prestige bij de medegelovigen. Dit is in alle religieuze systemen zo. Vandaar ook in de islam. De moslims bewonderen iedereen, die islamitisch handelt. Wie definieert wat islamitisch handelen is? Het is de islamitische clerus die de uiteindelijke autoriteit uitoefent over welk gedrag islamitisch gedrag voorstelt.

Dat zou voor ons geen rol spelen wanneer de islam er niet prat op zou gaan van plan en in staat te zijn het Westen te vernietigen. Om het Westen tegen de islam te verdedigen, moet men deze ketting, de prestige en de autoriteit gegarandeerd aanvallen en deze aanval kan het best plaatsvinden op het zwakste punt: De basis van de autoriteit van de clerus.

Deze klerikale autoriteit is gebaseerd op de sharia. De autoriteit van de sharia echter houdt in, dat Mohammed, de profeet van de islam, we; een heel eenvoudig man was, en dat de koran een vaag en simplistisch stuk vroom proza is, die het ontbreekt aan informatie die mensen nodig hebben om van de hellevuren gered te worden – alleen de clerus weet hoe de mensen gered kunnen worden alleen op grond van hun kennis van de sharia, niet op grond van de kennis van de koran.

De bijzondere positie van de sharia in de wereld van de islam, zouden we kunnen argumenteren, kan men alleen zien als kleinering van de koran en Mohammed.

Als we dit ooit zouden kunnen uitleggen aan onze islamitische en dhimmi tegenstanders, dan hebben we ze wellicht beïnvloed. De vragen, die we zouden moeten stellen zodra men verwijst naar het shariawetboek, luiden: “Wat weten de islamitische schriftgeleerden en geleerden, die allemaal mens zijn, geen van hen is een profeet, meer dan Mohammed en zijn metgezellen wisten?”

Staat u mij een voorbeeld toe hoe de sharia en de clerus werken. In het jaar 2006/2007 kreeg een Nederlandse komiek onenigheid met een islamitische activist vanwege de aanslag op Theo van Gogh. De komiek had toen, op eigen initiatief, een bezoek gebracht aan een Amsterdamse imam en het bestuur van een moskee en hen heel direct gevraagd of ze hem wilden doden. De imam keek hem streng aan en zei niets. Hij deed net alsof hij geen Nederlands verstond – wat misschien ook wel het geval was. Een glimlachend lid van het bestuur verzekerde de komiek echter dat ze geen plannen hadden om hem te doden, want “voor zulke dingen hebben wij de radicalen”. Dit beschrijft op perfecte wijze de situatie.

De meerderheid zwijgt, de imam beperkt zich tot waardig toekijken, zijn directe aanhangers brengen slecht nieuws en de elitesoldaten, de echte commando´s, de ware moedjahedien, zij knappen het vuile werk op.

De regeringen aarzelen iets tegenover deze commando´s te zetten, diegenen, die aangevallen worden, moeten zich meestal zelf verdedigen. Het beste is om indirect terug te vechten en te proberen de moslims dusdanig te beïnvloeden, zodat zij inzien, dat in de loop der eeuwen zich een steeds groter wordende kloof heeft geopend tussen datgene dat zij eerlijk en vaak naïef als islam beschouwen en de opgehoopte voorschriften en restricties, waarvan de clerus wil dat deze worden toegepast.

We zouden steeds opnieuw aan de islamitische landen moeten vragen wat de menselijke schrijvers van het shariahandboek meer weten dan de aartsengel Gabriel toen hij de koran aan Mohammed openbaarde?

De koran brengt slecht nieuws voor iedereen die zich niet aan de islam wil onderwerpen, maar zo expliciet als de sharia is hij niet. We kunnen bovendien de kortgeleden van commentaren voorziene en bewerkte shariahandboeken vrij bekritiseren, er is geen wet of gebruik dat ons verbiedt dit te doen.

Wanneer men echter een antieke tekst bekritiseert, kan men makkelijk als een barbaar worden neergezet. Met de talrijke hedendaagse shariahandboeken hebben we echter vrij spel. Hun schrijvers zijn slechts mensen, mensen zoals u en ik. Maar de schrijvers van de shariahandboeken beweren meer te weten dan alle profeten en aartsengelen samen.

Hier zullen de vrienden van de islam sluw genoeg proberen om onze geloofwaardigheid te ondermijnen. Als we ons beroepen op een Antiek klassiek shariahandboek en erop wijzen hoe bloeddorstig en gedetailleerd zijn inhoud is, dan zullen ze zeggen: “Ach, het is een oud boek, tegenwoordig niet meer relevant, geen enkele normale doorsnee moslim kent dit boek.” Als we gelijksoortige moderne hedendaagse bronnen citeren, dan zullen ze zeggen: “Ach, dat is een nieuwe uitvinding, die niet van betekenis is voor het totale beeld van de islam.” Als we beide citeren, oude en nieuwe bronnen, dan zullen ze zeggen dat wij hen vervelen door deze verschillende onbelangrijke dingen steeds te herhalen. Een ongevoelige maag is een onmisbaar benodigdheid voor diegene, die deelneemt aan zulke debatten.

Een van onze problemen met de islam is ons westerse begrip van godsdienstvrijheid. De meeste mensen in het Westen erkennen dit niet, maar niet alle godsdiensten zijn gelijk. Iedere daad, die men zich voorstellen kan, is of verboden of wordt tot plicht gemaakt door minstens een van de vele honderden religies waarmee onze planeet gezegend is. Daarom is godsdienstvrijheid, als dit betekent dat iedere individuele religie hierbij kan worden betrokken, niet mogelijk. Toen mijn professor in mijn eerste jaar op de universiteit dit verklaarde, heb ik hem niet geloofd en ik heb hem gevraagd of iets, dat zo onschuldig is als het drinken van een glas water uit de kraan, onderwerp van een religieus verbod zou kunnen zijn. Hij antwoordde, dat hij geen voorbeeld kende, maar tegelijkertijd verzekerde hij me dat, als ik zou gaan zoeken, er vast en zeker eentje zou vinden. En hij had gelijk: In het Hindoeïsme bestaat er een kaste, die alleen water mag drinken uit een bron in een aarden kruik. Deze kaste beschouwt het drinken uit de kraan als haram.

In Europa en Amerika lijken de bestaande religies nogal op elkaar en zijn meestal op een bepaalde manier met de Bijbel verbonden. Daarom plegen de Europeanen en Amerikanen te denken, dat het niet schaadt om een religie de vrije loop te laten, want “diep van binnen zijn alle religies gelijk”. Dit is een vergissing. Er bestaat niets gemeenschappelijk aan alle religies.

Godsdienstvrijheid, in die zin dat iedere vorm van religievolledig zijn zin kan krijgen, is een recept voor een burgeroorlog. Wat onze wijze voorvaderen bedoelden, toen zij voorstander waren van godsdienstvrijheid, zou opnieuw geformuleerd moeten worden. Wat zij bedoelden kan alleen maar de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de aanbidding geweest zijn. Want zij waren niet gewend aan andere religies, die fundamenteel anders waren, en omdat ze moe waren om het oorlog voeren over andere geloven of vormen van aanbidding en omdat ze niet vertrouwd waren met het volledige spectrum van de globale religieuze verschillen, formuleerden ze hun overtuigingen, hoe juist ze ook waren, op een wijze, die nu verwarrend is en serieuze problemen voor vrijheid, wetenschap, justitie, gezondheid en politiek oproept.

Niet alles is goed, maar veel, zo niet zelfs de meeste  moslims, zijn te humaan om bereid te zijn alle bevelen op te volgen, die de sharia hen oplegt.

Laten we hen helpen, door te benadrukken dat de koran misschien heel goed het woord van Allah kan zijn – dit is uiteindelijk niet te testen of bewijzen, maar dat de sharia het werk van mensen is, zelfs volgens de opvattingen van de islam.

Om vrij te blijven van de sharia zullen we misschien ooit moeten strijden, maar uiteindelijk is de vrijheid niet gratis.

[ICLA thanks ejbron.wordpress.com for the above translation]