Heilige Oorlog “Made in Germany”

By • on May 22, 2010

Wanneer we het woord jihâd vertalen met “heilige oorlog” is dit gerechtvaardigd, omdat een dergelijke oorlog voor de mohammedanen een heilig, religieus karakter heeft. Maar het is een vergissing te denken dat er daarnaast nog een niet-heilige of seculiere oorlog bestaat. Afgezien van het gebruik van het leger om ieder revolt tegen het wettig gezag te onderdrukken — wat beschouwd moet worden als een politionele maatregel — kent de Islâm geen oorlog anders dan de jihâd, en geen ander doel van de jihâd dan de verdediging van de belangen van de Islâm tegen aanvallen door niet-mohammedanen, of voor de uitbreiding van het grondgebied van de Islâm ten koste van de Dâr al-Harb, het land van de ongelovigen.”

Voor moderne staten die mohammedanen als onderdanen hebben, of als protegé’s, of bondgenoten, is de schone taak voorbehouden dezen [de moslims] en tegelijkertijd zichzelf te onderwijzen over de hoge opvatting van de menselijke samenleving, in plaats van ze terug te leiden — omwille van eigen egoïstische belangen — naar de manieren van de middeleeuwse religieuze haat die zij net op het punt stonden achter zich te gaan laten.”

Heilige oorlog “made in Germany”

door Snouck Hurgronje

Meer dan tien jaar geleden had ik een gesprek met een Turk van een zeer intellectueel type, over religieus fanatisme en de invloed daarvan op politieke situaties. Hij besloot zijn beschouwingen over dit onderwerp ongeveer als volgt: “In vroeger tijden waren de bewoners van de beschaafde wereld gewoon om elkaar te vernietigen wegens onenigheid over de geheimen van de andere wereld. Nu echter, Allah zij geprezen, heeft de mensheid deze barbaarse gewoonte overwonnen en is iedereen vrij om te geloven wat hij wil. Maar wat hebben wij daaraan zolang oorlogen gevoerd blijven worden op grond van economische en politieke belangen, oorlogen die in fanatisme niet onderdoen voor de bitterste religieuze strijd, en waarvan de destructiviteit voortdurend door onze enorme technische vooruitgang wordt opgevoerd? Onder dergelijke omstandigheden is het in alle rust genieten van de hard bevochten vrijheid van denken uit den boze.”

Deze opvatting dringt zich telkens weer in mijn geheugen op in verband met de gebeurtenissen die op dit moment plaatsvinden [Eerste Wereldoorlog en genocide op niet-moslims in Turkije]. Grote groepen mensen, gescheiden gehouden door wisselende politieke en economische belangen, hebben jarenlang een belangrijk deel van hun intellectuele en materiële vermogens verbruikt in het creëren van middelen waarmee ze alle tijd zouden hebben elkaar te kunnen vernietigen, en uiteindelijk is de lang verwachte vonk nu neergedaald op de geaccumuleerde brandstof. Elk van de strijdende partijen gruwt van het idee de verantwoordelijkheid op de schouders te nemen voor de misdaden tegen de mensheid die in het algemeen gepleegd worden. De cultuur die ze met elkaar geemeen hebben is terzijde geschoven en vindt haar enige uiting nog in een saaie reeks uitspraken waarmee de één de ander de schuld geeft van wat ze allemaal samen zorgvuldig gepland hebben.

De sceptische ironie van mijn Turkse vriend was niet geheel ten onrechte. Niet dat het ons iets nieuws leert. Maar in dit verband zou zijn opvatting alleen maar wat verrassend kunnen overkomen op diegenen onder ons die niet vertrouwd zijn met de mohammedaanse wereld, dat het een Turk betreft die zonder voorbehoud de algemene religieuze vrede en de vrijheid van denken herkent als een onbetwist bezit. Vanuit dit gezichtspunt zijn de hier geciteerde woorden des te waardevoller, omdat zij met redelijk aanvaardbare nauwkeurigheid de [huidige] opvatting van alle Turkse intellectuelen uitdrukt over het probleem van religie.

Deze tolerantie lijkt onverenigbaar met de voorschriften van de mohammedaanse wet met betrekking tot de houding ten opzichte van de aanhangers van andere godsdiensten. Want volgens deze wet, die over alles het goddelijk gezag claimt, dient de hele mensheid onderworpen te worden aan de mohammedaanse gemeenschap en dat dan tevens, voor zover mogelijk, in geestelijke zin. Om dit doel te bewerkstellingen dient de gemeenschap van gelovigen jihâd te voeren, ofwel, een heilige oorlog tegen al diegenen die nog steeds buiten de greep van hun gezag leven. Het leiding geven aan de jihâd, het bepalen van tijd, plaats en wijze waarop, is één van de belangrijkste taken van het hoofd van de gemeenschap, de kalief, die de opvolger is van Mohammed, als hoogste gouverneur, hoogste rechter en opperbevelhebber van alle moslims.

Wanneer volgens hem het belang van de Islâm dat vereist, moet hij deze oorlog met meer of minder energie voortzetten of er zelfs tijdelijk vanaf zien. Maar onder geen enkel beding mag hij met een opschorting van een offensief van langer dan tien jaar instemmen tegen een land van ongelovigen. Vooropgesteld dat zij zich onderwerpen aan het mohammedaanse staatsgezag en tevreden zijn met een positie van mensen zonder burgerrechten, wordt aanhangers van de joodse en de christelijke religie en van religies die dezelfde gelijkwaardige erkenning verkrijgen, toestemming verleend voor de uitoefening van hun godsdienst, zij het met zekere beperkingen. In het geval van echte heidenen dient dit vergezeld te gaan van bekering tot het mohammedaanse geloof.

Het jihâd-programma gaat ervan uit dat de mohammedanen — net als ten tijde van hun eerste verschijning in de wereld — voortdurend een compacte eenheid vormen onder leiding van een enkele persoon. Maar deze situatie heeft in werkelijkheid zo’n korte tijd beleefd, dat het rijk van de Islâm al snel uiteen viel in een steeds groter aantal vorstendommen. De hoogste macht van de zogenaamde kalief, na gedurende korte periode een opbloeid gekend te hebben, is daarmee zodanig verworden tot louter iets van woorden, dat zelfs de jihâd-voorschriften moesten worden aangepast aan deze toestand van afbrokkelend gezag. Zoals ook in de meeste andere gevallen met betrekking tot het voeren van de heilige oorlog, draagt de wet het gezag en de taken over van de enige kalief naar de verschillende territoriale hoofden, ieder naar omvang van zijn heerschappij. Nu is het evident dat deze verschuiving van het gezag van één naar velen een grote vereenvoudiging van de interne regering betekende, maar het is evenzeer duidelijk dat door deze desintegratie de voortzetting van de wereldverovering, zoals die was aangevangen in de eerste eeuw van de Islâm, onmogelijk werd gemaakt.

Er waren echter een aantal andere oorzaken die voortvloeiden uit de eerste wilde haast van de moslimse legioenen. Zij stuitten op grenzen waar de weerstand niet in één keer gebroken kon worden, en het genot uit wat alreeds veroverd was verslapte hun energie. De grote daden van de eerste generaties werden geïdealiseerd in de verbeelding van de latere. Zij werden ontdaan van hun smetten en de theorie van de door hen gewenste voortzetting tot in details uitgewerkt, steeds meer casuïstisch daar waar de realisatie ervan immer verder buiten bereik van het reëel mogelijke geraakte.

Alleen wanneer een mohammedaans grondgebied wordt aangevallen door een natie van ongelovigen, wordt aan de gehele bevolking de plicht van verdediging opgelegd. Aanvallende actie is alleen gerechtvaardigd wanneer deze is uitgeroepen en gestuurd door een erkend hoofd van staat. Wanneer de ongelovigen erin slagen een moslimbevolking te onderwerpen, dienen deze laatsten zich niet bij deze staat van onderwerping neer te leggen, maar de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen om òf het juk af te werpen òf te emigreren naar een onafhankelijk moslimland, en dit laatste geval in dien mate tot het gevaar geweken is waarmee hun eigen religie bedreigd wordt, met als doel om de gelederen van de gelovigen voor de strijd tegen de vijand te versterken, tegen de niet-onderworpen ongelovigen. En indien een effectieve weerstand of emigratie eeuwenlang onmogelijk zou blijven, wordt de relatie van afhankelijkheid van een niet-mohammedaanse overheid die daardoor ontstaat slechts aanvaard als iets tijdelijks en abnormaals.

Het geheel van wetten die, volgens de Islâm, de verhoudingen zouden moeten regelen tussen gelovigen en ongelovigen, is de meest consequente uitwerking denkbaar van een mengsel van religie en politiek in hun middeleeuwse vorm. Dat diegene die de materiële macht heeft tevens de geest moet domineren wordt als een vanzelfsprekendheid aanvaard, de mogelijkheid dat aanhangers van verschillende religies samen kunnen leven als burgers van dezelfde staat en met gelijke rechten is uitgesloten. Dat was in de Middeleeuwen niet alleen het geval met de mohammedanen: vóór en zelfs nog lang na de Reformatie dachten onze voorouders niet zo heel veel anders over deze zaken. Het verschil is vooramelijk dat de Islâm deze middeleeuwse regelgeving heeft gefixeerd in de vorm van eeuwige wetten, zodat latere generaties, zelfs als hun opvattingen veranderd zijn, het moeilijk vinden zich ervan te emanciperen.

Deze emancipatie werd des te lastiger omdat zowel de massa’s als de schriftgeleerden zich telkens sterker vastklampten aan deze twijfelachtige erfenis van hun voorouders, hoe meer het erop leek dat de omstandigheden de verwezenlijking van dit machtige programma aan de laars lapte. Het is een feit dat door de eeuwen heen in de landen van de Islâm weinig zorg is besteed aan de opvoeding van de massa’s, en het idee van een toekomstige wereldoverheersing streelde hun ijdelheid teveel om lichtvaardig te worden afgedaan. De juristen, in hun bekrompenheid, namen niet deel aan de volheid van het echte leven; zij bewaarden angstvallig de oude idealen zonder in de gaten te hebben dat hun inhoud achterhaald was. De appreciatie van de godsdienstvrijheid door intellectuele Turken, zoals de hierboven geciteerde vriend, was- en is voor hen nog steeds een frivole concessie aan de geperverteerde geest van de tijd.

Hoe dan ook ging de geest door met de opmars; in de afgelopen [19e] eeuw met vaak verrassende snelheid. Door de bijzondere hardheid van de mohammedaanse samenleving en de inefficiëntie en corruptie van de mohammedaanse overheden in het hele grondgebied van de Islâm, kwam het in weerwil van het bewuste programma van wereld-heerschappij, geleidelijk onder Europese invloed. Het is tot dusverre al zover dat meer dan negentig procent van alle mohammedanen in veroverd grondgebied of protectoraten leven, onder de politieke leiding van Europese autoriteiten — terwijl de onafhankelijkheid van het resterende deel, met name Turkije, alleen in schijn wordt opgehouden, uisluitend dankzij het van pas komen in de balans tussen de grootmachten die om de voogdij ervan strijden.

Dit contact van het grondgebied van de Islâm met de wereld erbuiten mondde uit in het totale verlies van de voormalige politieke onafhankelijkheid, welke oorspronkelijk oorzaak vond in de noodzaak voor Europa om economisch uit te breiden, dat wil zeggen, wegens het eigenbelang van de naties die het stof van de Middeleeuwen van zich af hadden weten te schudden en de mohammedanen zowel in geestelijke als materiële zin waren voorbijgestreefd. Later maakte de beperkte idee van exploitatie van de veroverde gebieden plaats voor dat van annexatie, en uiteindelijk tot volledige absorptie, in die zin dat de bevolking diende te worden onderwezen om aan de cultuur van de veroveraars deel te nemen — voor zover ze daar toe in staat waren en het opportuun werd geacht. Dit gebeurde niet ineens; de strijd tussen het egotisme van de voogden en hun plichtsgevoel ten opzichte van hun departementen is nog steeds in volle gang.

Maar de Europese voogden, zelfs degenen voor wie de consequente toepassing van de nieuwere beginselen vaak een te lastige taak was, zouden zich er nu zelfs voor schamen een ander beginsel van de overheid te belijden dan dat van een pure harmonie tussen de belangen van beide landen, waarvan de één door de geschiedenis ondergeschikt is geraakt aan de andere. Dit heeft de mohammedanen onder een directe of indirecte Europese overheid al aanmerkelijke voordelen opgeleverd, en men kan stellen dat zij over het algemeen beter af zijn dan hun geloofsgenoten in de quasi-onafhankelijke staten, waar ze zowel te lijden hebben van de nadelen van een corrupte overheid alswel van de strijd voor economisch gewin tussen de grote Westerse mogendheden. Maar toch heeft de onderdrukking waar de bevolking in een land als Turkije onder gebukt gaat ook aspiraties opgewekt tot intellectuele ontwikkeling. De beweging van de “Jonge-Turken” van de laatste jaren is daar een voorbeeld van.

In de meer ontwikkelde kringen van alle mohammedaanse landen heeft algemeen de overtuiging postgevat dat het middeleeuwse mengsel van religie en politiek, welke het systeem van de Islâm voor altijd wilde handhaven, niet van onze tijd is. De mohammedanen zijn in deze wereld de inferieuren geworden, zowel in politiek als sociaal opzicht; zozeer zelfs dat het idee van een wereldheerschappij gebaseerd op hun religie voor niemand zijn aantrekkingskracht heeft weten te behouden, met uitzondering van de onwetenden. De anderen schamen zich bijna voor de veronderstellingen die door de leer van de jihâd geuit worden, en doen hun uiterste best om te bewijzen dat de wet zelf de toepassing ervan beperkt tot omstandigheden die nu niet meer voorkomen.

De les van tolerantie was het minst gemakkelijk over te brengen op de volken die in de politieke bloeitijd van de Islâm in de voorste linies hadden gestaan, het minst van al nog op de Turken, die de hoofdrol hadden gespeeld in de laatste scène van de glorie. Toen in 1258 Bagdad werd verwoest door de Mongolen en het kalifaat van de Abassiden — dat toen alweer vijf eeuwen oud was — werd weggevaagd, lichtte dit de mohammedaanse wereld niet uit haar scharnieren, als zou zijn gebeurd als het kalifaat als centrale overheid van de mohammedanen nog iets te betekenen had. In feite leefde in dit vorstenhuis al drie en een halve eeuw voort op het zwakke nagloeien van haar kortstondige pracht en praal, en als het toen niet verdrongen was door één van de vele machtige sultans, zou de praktische onbeduidendheid dat wel hebben gedaan. Zo onbeduidend waren deze kaliefen in naam geworden dat bepaalde Europese schrijvers soms de aandrang voelden hen op te voeren als een soort van religieuze prinsen van de Islâm, die al dan niet vrijwillig hun wereldlijke macht hadden overgedragen aan de vele territoriale prinsen in het wijde wingewest van de Islâm.

Voor hen leek het totale gebrek aan wereldlijk gezag — gekoppeld aan de vaak gemanifesterende eerbied van de moslims voor het kalifaat — onverstaanbaar, behalve onder de veronderstelling van een spitiruele autoriteit, een soort van mohammedaans pausdom. Toch is zoiets er nooit geweest, en de Islâm, die noch priesters, noch sacramenten kent, had er ook de gelegenheid niet voor kunnen hebben. Hier, zoals elders, gaf de menigte de voorkeur aan legende boven feiten: ze stelden zich nog steeds de opvolger van de profeet voor als nog steeds het geheel van de moslimse gemeenschap overziend; zoals, volgens de historische traditie, hij werkelijk gedaan heeft tijdens de eerste twee eeuwen na de Hijrah, en dit was lang na de instelling van het kalifaat opgegaan in de politieke degeneratie van de Islâm. Hoe dan ook, zij stelden hem niet voor als een paus, maar als een opperste heerser, bovenal als de amîr-al-mu’-minîn, commandant van de legioenen van de Islâm, die ooit de hele wereld zou laten buigen voor zijn macht.

De kalief, de luitenant van de boodschapper van Allah, en de jihâd, de heilige oorlog tegen de hele wereld buiten Islâm: aan deze twee termen was onlosmakelijk de herinnering verbonden aan de twee schitterende eeuwen waarin de loop van de gebeurteissen de mohammedaanse ambitie voor wereldheerschappij scheen te rechtvaardigen. Maar wat er ook in de werkelijkheid verdween, het overleefde in de legende; de aanbidding van de schaduwkaliefen van Bagdad maakte het voor menig mohammedaan gemakkelijker om het falen van hun politieke ideaal te vergeten.

Toen Bagdad was gevallen en een groot deel van de Abasside familie was uitgeroeid, ijlde dit politieke fetisjisme nog steeds na; de sultans van Egypte maakten er gebruik van door degenen die aan de moord waren ontsnapt, in hun hoofdstad de traditie voort te laten zetten van een namaak-kalifaat en daarmee de indruk wekkend dat hun grondgebied nu het centrum van de Islâm was geworden. Maar deze schaduw van een schaduw zou volledig verdwijnen toen de glorie van de Ottomanen haar hoogtepunt bereikte. Onder hun leiding waagde de Islâm zijn laatste poging, niet om de wereld te onderwerpen, zoveel is zeker, maar om ten minste een wereldmacht van de eerste orde te worden.

Ze slaagden erin Constantinopel (1452) in te nemen, een taak waar de grootste moslimse vorsten van weleer vergeefs hun tanden op hadden stukgebeten. Toen ze in 1517 Egypte hadden veroverd en vervolgens ook de provincie van de heilige steden van Arabië, Mekka en Medina, voelden ze zich sterk genoeg te pogen de traditie van het echte kalifaat te doen herleven, of op zijn minst zelf dat deel van de fetish te veinzen. Ze lieten zich niet weerhouden door het uitdrukkelijke voorschrift van de wet waarin is bepaald dat degene die het kalifaat zal aanvoeren afstamt van het edele Arabische huis van Qoraish. De spitsvondigheid van minzame juristen hielp hen dit bezwaar weg te nemen, en de menigte verzette zich niet tegen deze trucs aangezien hun dromen met betrekking tot het kalifaat hiermee nu werkelijkheid leken te gaan te worden. De overwinnaar van Klein-Azië, Syrië, Egypte, West-Arabië, Mesopotamië, het Byzantijnse rijk en een geduchte vijand van een groot deel van Europa, kon vol vertrouwen zijn zwaard als fetisj vervangen door de machteloze stamboom van de Abbasiden.

Dit herboren kalifaat miste dus de belangrijke traditionele kenmerken, en in andere opzichten kon het ook al niet worden gezien als de normale voortzetting van zijn voorloper. Verscheidene van de oudste mohammedaanse landen bleven geheel buiten de Turkse invloedssfeer, en dat was niet alleen het geval in Perzië, een dynastie die de Turken afwees onder het mom van ketterij, maar ook in de volkomen orthodoxe landen in Centraal-Azië, India en Noord-West-Afrika, waar voor het Turkse zwaard zich geen gelegenheid had voorgedaan er te doen gelden. In Marokko werd het Turkse kalifaat zelfs rechtstreeks genegeerd en namen de lokale vorsten — afstammelingen van de profeet — zelf de hoogste titel aan. Elders, gelijktijdig met de opkomst van de Osmanen of erna, ontstonden nieuwe mohammedaanse rijken die nooit in aanraking waren geweest met een echt of vermeend politiek centrum van de Islâm, zoals in het Verre Oosten van Azië en in Centraal-Afrika.

Inderdaad had de usurpatie van de titel van kalief door de Ottomaanse sultans slechts deze betekenis, dat in hun periode van politieke grandeur zij wensten te hebben vastgesteld dat het buiten kijf stond dat geen andere Moslimvorst zich in belangrijkheid met hen kon meten. Dit kon op geen enkele wijze meer treffend gedaan worden dan aan al hun hoogdravende Perzische en Turkse titels, de titel van de meest verheven positie die ooit in de Islâm had bestaan toe te voegen. Aan hun macht heeft deze nominale titel van kalief nog nooit iets toegevoegd; zij regeerden alleen wat hun legers hadden veroverd en buiten deze grenzen oefenden zij niet de geringste invloed uit.

Het Turkse zwaard verloor al gauw zijn scherpe kantjes; lang voordat het beleid van de grote Europese mogendheden beetje bij beetje van het rijk van de Ottomanen afknabbelde, had een aantal provincies zich ontwikkeld tot een aparte feodale heerschappij onder erfelijke dynastieën. Aangezien Turkije in haar bestuur geheel afhankelijk is van niet-mohammedaanse mogendheden, kan het slechts ongeveer vijf procent van de mohammedanen van de wereld als haar onderdanen beschouwen, en zou het tamelijk belachelijk klinken om de sultan van dat domein de titel “luitenant van de Boodschapper van God, Opperbevelhebber van de gelovigen” te geven, daar men zelfs buiten Turkije niet gewend was aan zulke nonsense met traditionele prinselijke titels. Alleen in de laatste eeuw [19e eeuw] zijn de Turken, door een samenloop van omstandigheden, er soms in geslaagd wat kleine voordeeltjes te behalen met deze juridisch twijfelachtige, nu betekenisloze titel.

De mogelijkheden tot communicatie vermenigvuldigden duizendvoud, en hebben inmiddels mohammedaanse landen die vroeger niet of nauwelijks van elkaars bestaan wisten, met elkaar in contact gebracht. De ongeveer 230.000.000 mohammedanen die onder niet-moslim bestuur leven hebben meestal niet voldoende historisch geheugen om te in te zien dat de verandering van bestuur voor hen een verbetering betekende. Zij bezien het politieke verleden van de Islâm slechts door de sluier van legende, en wanneer het heden aanleiding geeft voor klachten en bezwaren — en waar ontbreekt zulks? — zijn ze eerder geneigd te geloven dat al hun klachten zouden worden opgelost, als alleen maar de Bevelhebber van de Gelovigen hun belangen ter hand zou kunnen nemen. Van het wanbeheer waar de ware onderdanen van de Turkse sultan onder werkten, hoorden ze weinig en merken ze niets.

En de sultan — die nog het ergste was in dit opzicht totdat hij in 1909 werd afgezet en door zijn onderdanen verbannen — heeft met meer ijver en met meer succes gewerkt aan de verspreiding onder de mohammedanen van de valse voorstellingen over het kalifaat dan wie ook van zijn voorgangers. Zijn sluwe maar kortzichtige poltiek, die zijn eigen imperium steeds dichterbij zijn val bracht, deed hem voor menig mislukking troost zoeken in Pan-islamitische intriges, geënsceneerd door gewetenloze, maar doorgaans onwetende en blunderende bondgenoten, die de goedgelovigen het geïdealiseerde beeld van een kalief voorhielden, hen ervan verzekerend dat het een goede gelijkenis van Abdulhamîd was.

Er wordt vaak gesproken van een Pan-islâm-organisatie onder leiding van Abdulhamîd, maar dit is ongegrond. In 1897, in relatie tot enkele bedriegelijke, in het geheim verspreide pamfletten — die de meest intieme adviseurs van de sultan in hun onderlinge strijd om zijn gunst hadden verspreid — heb ik geprobeerd om de sfeer rond de despoot[1] beschrijven, en toen ik in 1908 in Constantinopel getuige was van de eerste twee maanden van de revolutie, zag ik in hetgeen zich voltrok een volledige ondersteuning van mijn beschrijving.[2] Die bende van ordinaire intriganten was weinig gekwalificeerd om een serieuze internationale beweging te leiden. Zij benutten de contacten die zij hadden gelegd met bepaalde invloedrijke mohammedanen in niet-Turks grondgebied, voor eigen gewin en prestige; zonder dat het ook maar van enige betekenis was voor de reanimatie van het dode kalifaat. De paar Turkse consulaten die gevestigd waren in mohammedaanse landen onder Europees gezag, faalden ook in hun taak. Meestal vergaten ze de consuls hun salaris uit te betalen, beheersten de consuls zelfs niet de taal van de bevolking tussen wie zij woonden en deden zij ook geen moeite om dat te leren. Hun doorgaans zeer “geavanceerde” levensstijl droeg ook al niet bij aan het verhogen van het respect voor de diegene die hen had uitgezonden.

Het is een feit dat de Pan-islâm met geen enkel programma kan werken, behalve met het versleten, volkomen onuitvoerbare programma van wereldverovering door de Islâm; en dit heeft haar greep verloren op alle verstandige aanhangers van de Islâm, waarbij het onder de domme massa — die nog steeds verleid kan worden met het idee van oorlog tegen alle kâfirs — alleen maar verwarring en onrust aanwakkert. Op zijn hoogst kan het lokale ongeregeldheden veroorzaken, maar er kan nimmer in enig opzicht een constructieve invloed van uitgaan.

Waarschijnlijk zonder opzet, hebben sommige Europese staatslieden en schrijvers een zekere steun verleend aan de Pan-islâm-gedachte, met overwegingen die gebaseerd waren op het absolute misverstand van het kalifaat als een soort mohammedaans pausdom. Het meest van al vond deze opvatting aanhangers in Engeland in de periode dat het land nog steeds werd beschouwd als de beschermer van de Turk tegen het dreigende gevaar van Rusland. Het werd nuttig geacht de Brits-Indiase moslim te doen geloven dat de Britse regering op voet van intieme vriendschap stond met het hoofd van hun kerk. Turkse staatslieden maakten slim gebruik van deze misser. Natuurlijk konden ze hun Europese vrienden niet de ware theorie van het kalifaat bekennen; met zijn missie van het onder haar vlag verenigen van alle gelovigen om oorlog te voeren tegen alle kâfirs. Zij verheugden zich des te meer om te zien dat zij over dit instituut bij hen een opvatting hadden gecultiveerd die danwel zeker vals was, maar juist om die reden voor niet-mohammedanen aannemelijk. Ze zorgden er goed voor dit niet te corrigeren, want zij waren content met de mogelijkheid hun geloofsgenoten te wijzen op het feit dat zelfs door de grote niet-mohammedaansche mogendheden de claim van de Ottomanen op het kalifaat werd erkend.

Hoewel Pan-islâm geen organisatie kende, werd niettemin in mohammedaanse landen die onder Europese heerschappij stonden vaak verzet geboden tegen een normale ontwikkeling van een voor beide partijen wenselijke relatie tussen de regering en de geregeerden. Speculerend op welke ontevredenheid dan ook, werkte het onder de oppervlakte als een storend element, zonder dat er enige hoop was dat de tegenstelling die veroorzaakt of versterkt was zou kunnen leiden tot verbeteringen.

Alle Europese mogendheden moeten als een welkom gevolg van de revolutie van 1908 het feit verwelkomd hebben dat de Jonge-Turken, die het herstel van de grondwet afdwongen, een einde wilden maken aan het middeleeuwse mengsel van religie met politiek. De bestendiging van de Islâm als een staatsgodsdienst was van hun kant een concessie aan de oude traditie, zonder afbreuk te doen aan de volledige gelijkheid van de aanhangers van alle religies als burgers van het Turkse Rijk. Het herboren Turkije zou een moderne rechtsstaat zijn in de volle betekenis van het woord. Voor het kalifaat en de jihâd zou in een dergelijke staat geen ruimte zijn.

Turken en Arabieren, Grieken, Armeniërs, Joden en wie er ook verder onder de Halve Maan leefden, zouden in vrijheid, gelijkheid en broederschap samenwerken om van Jong-Turkije een staat te maken die gerespecteerd zou worden in de internationale arena. Van het rijk van de Ottomanen zou niet geacht worden zich op welke manier ook met geloofsgenoten te bemoeien die onder niet-mohammedaanse heerschappij leefden. Op zijn hoogst zou de overheid — in geval het reden tot klagen zou hebben over de schending van hun rechten — een vertoog mogelijk maken, vergelijkbaar met die welke de christelijke mogendheden zo vaak aan Turkije hadden gericht in verband met de vermeende onderdrukking van de christelijke naties onder Turkse heerschappij.

Als snel bleek dat voor het moment deze idealen te hoog gegrepen waren. De gulzigheid van de Europese mogendheden gunde Jong Turkije niet de rust die nodig was voor interne hervormingen. Op de enthousiaste harmonie van de eerste dagen van de bevrijding uit de klauwen van het despotisme, volgde al snel de heropleving van de oude interne strijd, die nu niet meer in toom gehouden werd door een algemene angst voor de despoot. Het Comite van Eenheid en Vooruitgang, die vóór of achter de schermen de richting bepaalde, was genoodzaakt aan de ene kant weer een beroep te doen op de haatvolle regeermethodes van het despotisme, en aan de andere kant veel concessies te doen ten koste van haar eigen programma, zelfs aan de Moslim-orthodoxie en aan het geloof en bijgeloof van de massa. De fetisj van het kalifaat moest opnieuw worden opgeduikeld uit het museum van oudheden, waar het tijdelijk was opgeslagen. Met betrekking tot het idee van de jihâd, die zo er nauw mee verbonden was, zorgden de Europese mogendheden er wel voor dat het niet vergeten werd. Turkije werd voortdurend gedwongen tot een jihâd.

Wanneer we het woord jihâd vertalen met “heilige oorlog” is dit gerechtvaardigd, omdat een dergelijke oorlog voor de mohammedanen een heilig, religieus karakter heeft. Maar het is een vergissing te denken dat er daarnaast nog een niet-heilige of seculiere oorlog bestaat. Afgezien van het gebruik van het leger om ieder revolt tegen het wettig gezag te onderdrukken, wat beschouwd moet worden als een politionele maatregel, kent de Islâm geen oorlog anders dan de jihâd, en geen ander doel van de jihâd dan de verdediging van de belangen van de Islâm tegen aanvallen door niet-mohammedanen, of voor de uitbreiding van het grondgebied van de Islâm ten koste van de Dâr al-Harb, het land van de ongelovigen.[i]

De oorlogen die Turkije onder Abdulhamîd moest voeren tegen Rusland en tegen Griekenland, zijn nooit door Turken en Arabieren met een andere term geduid dan de jihâd, ook al waren zij omzichtig genoeg die term niet te gebruiken voor hun Middeleeuws fanatisme in hun omgang met Europeanen. Dit gold ook voor de oorlog met Italië om de macht over Tripoli en de oorlog met de Balkanstaten. Voor de mohammedanen, die nog immer op de oude wijze politiek en religie mengen, is er geen andere oorlog dan een religieuze oorlog.

Dat een speciaal edict van de sultan-kalief nodig zou zijn om één van Turkije’s oorlogen de stempel van heilige oorlog te geven, is nog zo één van die belachelijke misvattingen van de mohammedaanse dingen, waarvan er zoveel gewoon zijn geworden in Europa. De Turken protesteren doorgaans niet tegen zulke onzin, maar zullen doorgaans in hun betrekkingen met de Europeanen dit juist steunen wanneer dit hun belang dient. Want geen enkele Moslim in de wereld, als Turkije in een oorlog is betrokken, stelt zich de vraag of de sultan wel een heilige oorlog heeft uitgeroepen die op redelijke gronden gebaseerd is. Dit alles dient goed worden overwogen als men de politieke gebeurtenissen van deze dagen, voor zover zij iets met Turkije te maken hebben, wil doorgronden.

Over deze gebeurtenissen zijn in Duitsland pamfletten gepubliceerd, die in sommige opzichten misschien ook buiten dat land enige aandacht verdienen. Deutschland, die Turkei und der Islâm [“Deutschland, die Türkei und der Islâm. Ein Beitrag zu den Grundlinien der deutschen Weltpolitik im Islâmischen Orient”; Leipzig: S. Hirzel, 1914] is de titel van een pamflet van Hugo Grothe, die als gekwalificeerd wordt beschouwd op het gebied van economie, en wiens vroegere geschriften de resultaten bevatten van zijn wetenschappelijke reizen in het Europese en Aziatische Turkije, Perzië en Tripolitanië [tegenwoordig Libië]. Dit pamflet is onderdeel van een serie, Zwischen Krieg und Frieden [Zwischen Krieg und Frieden #4.–vert.] onder redactie van Irmer, Lamprecht en Von Liszt, met politieke artikelen voor het grote publiek. Onder de conribuanten bevindt zich Prins [Bernhard] von Bülow.

Wanneer Grothe zich buiten de economische politiek begeeft, toont hij meteen zich in een vreemde omgeving te waren. Het politieke probleem van de Islâm bijvoorbeeld, staat hem niet helder voor de geest. Het kalifaat noemt hij de seculiere representatie van de religieuze gemeenschap van de mohammedanen, een nogal vage uitdrukking van het idee dat alle mohammedanen in politiek opzicht wettelijk onderworpen zijn aan de kalief; die voorzeker weerhouden wordt van de uitoefening van zijn bestuurlijke rechten over wat nu vijfennegentig procent bedraagt van zijn onderdanen, door ongelovige prinsen wiens gezag noodzakelijkerwijs onwettelijk is.

Maar op een andere pagina nu, citeert Grothe het volgende uit een proclamatie die door de Keizerlijke Gouverneur van Kamerun uitgevaardigd is aan de inheemse bevolking: “We ontvangen verder hulp van de Sultan in Stambul, die op het gebied van religie de Allerhoogste Heer van alle mohammedanen is,” en verre van het toevoegen van de noodzakelijke correctie, noemt hij deze officiële onzin “interessant.” Grothe’s aanname dat bij het begin van de huidige oorlog [Eerste Wereldoorlog–vert.] “de jihâd van Duitsland” het onderwerp van debatten en gebeden was geweest in de moskeeën van Turkije, is misschien een poëtische uitspraak, want zelfs als we de jihâd net zo correct vertalen als “heilige oorlog,” is nog steeds onze “heilige oorlog” — zoals elke agressieveling vandaag zijn eigen worsteling noemt — geenszins gedekt door het Arabisch-mohammedaanse jihâd.

Wanneeer ouderwets vrome mohammedanen in hun gebed naar deze oorlog verwijzen, zal dat gebed als volgt luiden: “Wij danken Gij, Allah, voor het onderling verdeeld hebben van de legioenen van de duivel en omdat Uw almacht een aantal van hen dwingt met hun wapens en manschappen de verdedigers van de Islâm te steunen. Stuur dit alles, Heer, naar een snelle overwinning van de gelovigen en de ondergang van allen die ongehoorzaam zijn aan U en Uw Boodschapper.” Zo, en alléén zo, is het denkbeeld van de moslims die nog niet voldoende door de geschiedenis ontnuchterd zijn om het inzicht van de Turk te delen wiens woorden ik aan het begin van dit artikel heb geciteerd.

Het is ook poëtisch formuleren door Grothe wanneer hij een aardbeving die geregistreerd wordt op Konia, Bundur, en Sparta, laat bijdragen aan het toewijzen wan een reëel inzicht van de Turken in de betekenis van de ramp die ons is overkomen; poëtisch formuleren wanneer hij in zijn reizen voortdurend hoort hoe Turken, Arabieren, Koerden, en Anatoliërs hun sympathie voor Duitsland belijden en hun mening over de hedendaagse politiek geven, die geen jota verschilt van die van Grothe zelf. Hij hoort ze die uiten in talen waar hij niets van begrijpt, want de twee Turkse uitdrukkingen die Grothe gebruikt zijn unidiomatisch.[3]

Wij blijven dichter bij de realiteit als we Grothe’s onderzoek naar de politiek-economische betrekkingen tussen Turkije en Duitsland volgen, zoals ze zich ontwikkelden in de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw. Duitsland, zegt hij, is door een samenloop van ongunstige omstandigheden ver achtergebleven in de race van de Europese mogendheden om de economische en commerciële voordelen die op het Turks grondgebied te behalen zijn. In feite ontstond slechts een verandering ten goede toen de aanbesteding voor de Anatolische spoorlijn aan een Duits syndicaat werd gegund (1888), wat later werd gevolgd door die voor de Bagdad-spoorlijn.

Men krijgt een idee van de snelheid van de ontwikkelingen door naar de cijfers van de totale som van import en export tussen Duitsland en Turkije te kijken: 14 miljoen in 1888, maar in 1913 al 200-250 miljoen. De concurrentie met Engeland, Frankrijk en Rusland maakte het wederom wenselijk dat alle partijen hun invloedssfeer zouden bepalen. Voor de oorlog was de onderlinge verstandhouding al zover gekomen dat verwacht werd dat ze in het huidige jaar tot een akkoord zouden komen, waarin Engeland Zuid-Mesopotamië toebedeeld zou krijgen als economische zone, Frankrijk Syrië, Duitsland het deel van Mesopotamië en Asia Minor — dat enerzijds begrenst zou zijn door de 34e en 41e graad oosterlengte, en aan de andere door de 36e en 39e graad noorderbreedte — terwijl het noordelijke deel van Klein-Azië moest worden toebedeeld aan een Frans-Russische combinatie voor de spoorwegbouw.

Voor deze economische invloedssfeer zou Duitsland zich danwel dankbaar hebben gevoeld, maar geenszins tevreden. Sinds augustus is ze begonnen gans andere grenzen uit te diepen, in de veronderstelling natuurlijk dat zij in haar verwachtingen van een gunstige uitkomst van de oorlog niet zal worden teleurgesteld. Hier, volgens Grothe, heeft ze het volste recht toe. Want het moet als zeker worden beschouwd dat in het geval dat Duitsland zou falen, Rusland niet zal aarzelen om het Turkse Rijk te vernietigen. Omdat Rusland niet in het Verre Oosten de voor haar voor haar ontwikkeling noodzakelijke ijsvrije waterweg kan vinden zonder in conflict met Japan te komen, en niet in de Perzische Golf zonder in conflict met Engeland tekomen, is het Rijk van de Tsaren meer dan ooit vastbesloten om Constantinopel te bezitten. Engeland, dat zich altijd tegen dit laatste heeft verzet, zou dit nu steunen; in ruil daarvoor zou het Engeland worden toegestaan om Mesopotamië en Arabië als van haarzelf te beschouwen.

Alleen Duitsland kan Turkije redden, en heeft daar een enorm belang bij, aangezien alleen het behoud van de volledige integriteit van het Ottomaanse Rijk het mogelijk zal maken voor Duitsland om de economische positie te beschermen en te ontwikkelen waar zij zich in heeft ontwikkeld. Daarnaast is Duitsland de enige onder de grote mogendheden waar Turkije mee te stellen heeft, die nog geen vierkante meter van het land zou willen annexeren, en dat ook niet zou kunnen, zelfs niet als ze het zou willen. De geografische positie van Duitsland zou haar beletten daadwerkelijk dergelijke bezittingen te bescherming en er winst van te behalen. Dat is de reden waarom gedurende haar vijfentwintig jaar lange meer intieme betrekkingen met Turkije, Duitsland altijd al de enige betrouwbare vriend van het rijk van de sultan-kalief is geweest. Er is tussen die twee landen, behalve alle mogelijke sentimenten, een natuurlijke gemeenschap van belangen, terwijl de belangen van alle andere grote mogendheden alleen kunnen worden bevorderd ten koste van het welvaren van Turkije, en uiteindelijk haar bestaan.

V.l.n.r.: Wilhelm II, Mehmed V, Franz Joseph

Turkije heeft het niet altijd echt op deze manier bezien; er moest een zeker wantrouwen overwonnen worden, aangewakkerd door de oneerlijke concurrentie van degenen die Duitsland benijdden en deels ook versterkt door het vaak te zwakke Duitse beleid. Maar nu zijn de schellen van de ogen van de Jonge Turken gevallen, die het roer van het schip van Staat in handen houden. Het lijkt erop dat ze in Constantinopel alleen maar zitten te wachten op Duitse overwinningen in Noord-Frankrijk en in Galicië — zoals Grothe vóór de Turkse oorlogsverklaring schreef — alvorens zich met Duitsland en Oostenrijk te verenigen tegen de geallieerden. Het Turkse leger, dat in haar organisatie al zo veel aan de Duitse opleiding en richtinggeving dankt, zal grote behoefte hebben aan Duitse hulp en ondersteuning om zijn taak te vervullen, maar dan zal het ook bepaald geen onbeduidende bondgenoot betekenen. Dit zal vooral het geval zijn wanneer de kalief de grote heilige oorlog uitroept, de jihâd.

Hier nu begeeft Grothe zich op glad ijs, wanneer hij niet weet dat voor de mohammedanen van de oude stempel, die in de afgelopen jaren niet hebben deelgenomen aan de intellectuele beweging in het mohammedaansche Oosten, elke oorlog van Turkije een jihâd is. Voor dezen is de vraag niet: “jihâd of seculiere oorlog?” maar “tegen wie heeft Turkije de jihâd uitgeroepen?” En dan, er vanuit gaande dat het antwoord is zoals Grothe zich verbeeldt, dat wil zeggen, jihâd “tegen alle mogendheden die mohammedaanse landen hebben ingenomen en daarmee de Islâm hebben beroofd van haar pracht en praal,” blijft de vraag of, zoals Grothe hoopt en verwacht, de mohammedaanse volkeren onder Europese heerschappij echt zó gecharmeerd zullen van de oproep om de wapens op te nemen in de naam van sultan Mehmed Reshâd, dat ze hun meesters willen aanvallen “aan de ene kant met geheimhouding en list, en aan de andere met fanatieke moed,” Grothe ziet al voor zich hoe “de aldus ontwikkelde religieuze oorlog” — zo openlijk noemt hij het — vooral voor Engeland “de neergang van haar grootheid” betekent.

Wij weten dat Turkije op dit moment bezig is met een expreriment met precies zo’n heilige oorlog, zoals door Grothe en zijn intellectuele verwanten aangeraden. De hoogste juridische autoriteit in Constantinopel, de Sheich-ul-Islâm, die sinds de revolutie van 1908 immer een instrument van het Commitee van de Jong-Turken is geweest, heeft bevestigend geantwoord op een reeks van vragen die hem voorgelegd zijn door de onbenullige opvolger van Abdulhamîd, met wie de leiders van het Commitee van de Jong-Turken kunnen doen wat ze willen.

In werkelijkheid vormen die vragen en antwoorden samen een proclamatie van Enver en Taläat, de toonaangevende ministers in het Comité, en zowel hij die de vragen stelt (de sultan) en hij die antwoorden geeft (de Sheich-ul-Islâm) zijn hun speelballen. Deze proclamatie van de mannen van het Comité van Eenheid en Vooruitgang (waarmee — laat dit goed worden opgemerkt! — oorspronkelijk bedoeld werd de unie van de verschillende volken onder de Halve Maan en de voortgang ervan als een moderne staat) heeft als resultaat, dat, wanneer de Heer van alle mohammedanen de heilige oorlog tegen de vijanden van de Islâm verklaart, tegen hen die de landen van de Islâm plunderen en hun inwoners doden of ze in de slavernij dwingen, het de plicht van alle mohammedanen in deze wereld is om zich met have en goed in deze oorlog te werpen; dat daarom met name de mohammedaanse onderdanen van Frankrijk, Rusland en Engeland verplicht zijn eraan deel te nemen; dat degenen die deze plicht verwaarlozen en de strijd ontwijken, de toorn van God over zich afroepen; dat echter mohammedanen die onder de heerschappij van deze mogendheden of hun bondgenoten leven en hen in een oorlog tegen Duitsland en Oostenrijk — de supporters van Turkije — bijstaan, een grote zonde plegen, die absoluut zeker de toorn van God zal opwekken.

Deze proclamatie van de voorschriften van de goddelijke wet, zoals van toepassing op de politieke situatie van het moment, en volgens de uitspraak van zijn gezaghebbende tolk, diende als basis van een manifest van de sultan aan het leger en de marine, uitgevaardigd op 12 november 1914.

Dit manifest veronderstelt dat Rusland, samen met Engeland en Frankrijk de vijandelijkheden zijn begonnen; dat Turkije daarom gedwongen werd de wapens op te nemen; dat Rusland sowieso gedurende de afgelopen drie eeuwen geen kans had laten lopen om Turkije te schaden; dat miljoenen mohammedanen lijden onder het tirannieke bewind van de genoemde mogendheden; dat daarom de heilige oorlog was uitgeroepen, op wiens schouders niet alleen het welzijn van het Turkse Rijk rust, maar ook het leven en de toekomst afhangt van de driehonderd miljoen[4] mohammedanen. De barmhartigheid van Allah en de steun van de profeet zal de strijd tegen de vijanden van de Islâm, die samen met Duitsland en Oostenrijk gevoerd wordt, wederom tot de overwinning leiden.

Constantinopel zou Constantinopel niet zijn, indien deze extravagante uitlatingen van de Commissie[5] niet waren gevolgd door een demonstratie, een numâyashi. Toen ik in 1908 getuige was van de eerste twee maanden van de revolutie die onder leiding van het Comité door het leger aangewakkerd, ging er geen dag voorbij zonder een aantal van deze numâyashi; massa’s mensen die samendromden achter een antal vlaggen met het opschrift “Vrijheid, gelijkheid en broederschap,” die stopten voor een paar gebouwen of woningen van personen die aan de macht waren, en daar applaudiseerden voor toespraken waar niemand iets van kon begrijpen. Als men de schreeuwers vroeg waar het allemaal over ging, werd gezegd: “revolutie, vrijheid, is de politie immers niet afgeschaft?” en dergelijke. Op een vergelijkbare manier trakteerde het Commité op 14 november de bewoners op een numâyashi die een volle acht uur duurde.

In de moskee van Mehmet de Veroveraar, dat getuigt van de grootste overwinning van de Turken over het christendom, de verovering van Constantinopel in 1452, werden de hierboven geschetste vragen en antwoorden hardop voorgelezen; de fetwa, ofwel de heilige oorlog. Gebeden werden gezegd, lange toespraken werden gehouden; er kwam geen eind aan de jubelstemming. De processie doorkruisde de belangrijkste delen van de stad, hield stil voor de grootvizier, en… demonstreerde voor de Duitse en de Oostenrijkse ambassades. Zowel Nazim-Bey als Mukhtar-Bey, trouwe Comité-mannen, complimenteerden de Duitse en de Oostenrijkse ambassadeurs, en op hun toespraken werd gereageerd door de ambassadeurs zelf.

De toespraken die bij de Duitse ambassade werden uitgesproken zouden niet anders geformuleerd zij door dr. Grothe zelf. Want de Duitse ambassadeur sprak niet alleen van Duitsland en Turkije, maar ook van hun gezamenlijke strijd voor het werkelijke welzijn van de mohammedaanse wereld; van de vriendschap van Duitsland voor het rijk van de Ottomanen, maar vooral voor de aanhangers van de Islâm, voor wie — zodra de Duitse en Turkse wapens de overwinning behaald hebben — er een glorieuze toekomst in het verschiet ligt.

De Oostenrijkse ambassadeur was een beetje voorzichtiger en minder mohammedaans in zijn reactie, en noemde enkel de heilige oorlog die het rijk van de Ottomanen samen met Oostenrijk voert, en de sympathie die Oostenrijk en Turkije verenigt. Maar de hele voorstelling moest op de mohammedanen de indruk geven hebben,— die niet, zoals wij zouden doen, bovenal zouden denken aan een muzikale komedie van Offenbach — dat voor zover dit het geval was, Duitsland en Oostenrijk zich in dienst van Turkije hadden gesteld voor het voeren een jihâd; hoewel uiteraard, van die drie, alleen Turkije zich in een jihâd zou kunnen begeven. Om een oorlog tussen kâfirs (ongelovigen) een jihâd te noemen is voor een goede mohammedaan blasfemisch, zoniet belachelijk.

Grothe heeft aldus de gevoelens van de heersende klassen in zijn land verwoord, niet alleen waar hij de economische betrekkingen van Duitsland in de meest recente tijden en in de toekomst besprak, maar ook daar waar hij in het belang van Duitsland dreigde met het opjutten van het sluimerende mohammedaanse fanatisme. Dit maakt het voor mij wat minder onverklaarbaar dat mijn gewaardeerde collega, professor C.H. Becker in Bonn, die tot voor kort eervol de wetenschap van de Islâm in het Koloniaal Instituut in Hamburg voorging, ook meegevoerd zou worden door een ongelooflijke jihâd-gekte, die tegenwoordig alle Duitse staatslieden heeft besmet. Zijn pamflet Germany and Islâm[6] ademt dezelfde geest als Grothe, hoewel het zich gunstig onderscheit van deze laatste wegens de meer gematigde toon, en wat voor zich spreekt: door zijn kennis van de Islâm.

In essentie vult Becker voornamelijk het beeld van Grothe aan over de toekomstige betrekkingen tussen Duitsland en Turkije, door in zijn beschermingsprogramma voor Turkije de militaire en politieke hergeboorte van het Rijk van de Halve Maan op te nemen, zodat deze zou kunnen wederopleven in een moderne rechtsstaat met een respectabel leger. Niet alleen Duitse produkten en Duits kapitaaal, maar ook de Duitse geest moest aan de slag gezet worden in Turkije. Zij moet dit doen volgens een betere methode dan Frankrijk en Engeland toegepassen in hun koloniën: “een gezond algemeen-onderwijs volgens moderne methoden, maar op basis van de traditionele oosterse cultuur en ondersteund door de beste krachten van de Islâmitische godsdienst .”

We zullen hier later nog op terugkomen. Eerst een paar opmerkingen in verband met het beeld dat in de geschriften van zowel Grothe als Becker naar voren komt, van de groei van de politieke harmonie tussen Duitsland en Turkije, tijdelijk buiten beschouwing latend hetgeen kan wordt bereikt door middel van het kalifaat en door Moslim fanatisme.

Het is eenvoudig om te begrijpen dat Duitsland, in het licht van de snel toenemende belangen die zij in Turkije heeft opgedaan, de gevaren en moeilijkheden die door concurrenten veroorzaakt zouden kunnen worden zou willen beperken tot de kleinste mogelijke proporties. Het is even eenvoudig om te begrijpen dat Turkije per slot van rekening liever met Duitsland te maken zou willen hebben, aangezien men met dit contact niet direct zou hoeven vrezen voor het verlies van grondgebied. Ik ze net met opzet “per slot van rekening”, want er moeten momenten gewees zijn waarop de sultan of het Comité hebben gedacht: Waar blijft die vriendschap?

Onder Abdulhamîd werd de Duitse affectie alleen aan hem uitgedrukt, bij wie alle macht berustte, maar nu algemeen beschouwd wordt de grootste vijand van zijn volk te zijn geweest die men ooit gekend heeft. Van 1888 tot 1908 negeerde Duitsland het Turkse volk, omdat het voor Duitsland van geen nut was. Een ieder die iets begreep van de aard van de Europese politieke vriendschap zal zich hier net zomin over verwonderen als over de matige interesse van keizer Wilhelm voor het lot van de ooit zo geliefde Abdulhamîd, toen deze laatste door de commissie eerst gedwongen werd als een vriend van de vrijheid te paraderen, om later het veld te ruimen.

Wie er ook naar een gunst of voordeel in Turkije streefde na 1908, moest het afdwingen, of er bij het Comité om bedelen. Het Comité kon Duitsland niet zomaar vertrouwen, zoals ook ook onze Duitse schrijvers opmerken, omdat de liberale Turken, die hun land vóór de revolutie ontvlucht waren, in Duitsland koeltjes ontvangen werden vanwege hun vriendschap met de despoot. Toen Oostenrijk zich tegoed deed in de algemene verwarring die na de revolutie ontstond, eerst om te helpen met de volledige losweking van Bulgarije van Turkije, en daarna met het zelf innemen van een stukje van het Turkse grondgebied, stak Duitsland nog geen vinger uit om zijn bondgenoot te weerhouden van een voor Turkije zo pijnlijke amputatie.

Later nam Italië Tripoli in en vond Turkije het moeilijk volledige waardering op te brengen voor het feit dat Duitsland als enige in de Triple Alliantie [Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië, 1882 –vert.] niets tot zich nam, omdat Turkije wist, net als ieder ander, welke fysieke hindernissen er voor er een dergelijke onderneming bestonden. Daar waar dergelijke fysieke hindernissen ontbraken, nam Duitsland haar deel net zo gretig als de anderen, en in Afrika onderwierp Duitsland zelfs twee miljoen mohammedanen aan haar autoriteit, een autoriteit die door hen niet minder tiranniek gevonden zal worden dan, volgens de sultan Mehmed Reshâd en volgens Becker, de Britse of Franse overheid door de Brits-Indische- en Noord-Afrikaanse mohammedanen.

Nu zou Becker kunnen argumenteren: die mohammedanen waren al onder onze heerschappij voor onze grote vrijage met Turkije en de Islâm aanving, en bovendien, die koolzwarte moslims doen er niet echt toe, zelfs niet in de ogen van de Turken en Arabieren. Maar dit is geen serieus antwoord op de tegenwerping, temeer omdat de Islâm niet alleen de minachting voor negers theoretisch afwijst, maar omdat vrijwel alle mogelijkheden altijd op veel grote schaal opengestaan hebben voor hoogbegaafde negers in moslimlanden [alleen als zij zich tot het moslimgeloof hadden bekeerd, anders was het tegenovergestelde het geval –vert.] dan in christelijke landen.

Om zeker te zijn, heeft Becker het aantal onderdrukte mohammedanen die nu door Duitsland moeten worden geholpen, op slechts honderdvijftig miljoen ingeschat; zodat alleen Rusland, Engeland en Frankrijk als onderdrukkers tellen. De sultan echter, heeft in zijn manifest de volledige driehonderd miljoen genoemd, waar de Kaiser de aanhangers van de Islâm op geschat zou hebben en die nu als slachtoffers bevrijd moeten worden, en heeft dus per ongeluk onder hen de twee miljoen Duitse moslim onderdanen en die onder de Oostenrijkse en Italiaanse heerschappij meegeteld, zoniet ook nog anderen.

Tijdens de Balkanoorlog, was de onafhankelijkheid van Turkije zeker niet minder ernstig bedreigd dan het geval was voor de jihâd-afkondiging, maar zelfs dan nog, ontving het weinig steun van haar Duitse vriend. Grothe merkt op dat het uitsluitend voor het belang van Turkije moeilijk geweest zou zijn om in Duitsland voldoende enthousiasme voor een oorlog op te poken, terwijl nu, tegen de rivalen Engeland en Rusland, het heel gemakkelijk bleek. Toch zal moeten worden toegegeven dat het effect van de bezoeken van keizer Wilhelm aan de sultan, met welke volgens Becker en Grothe het bewuste Islâm-beleid van Duitsland werd ingehuldigd, zich niet normaal ontwikkelde, maar lange tijd uiterst latent bleef.

Dit alles kan het enigszins eenzijdige karakter benadrukken van Duitsland’s beleid, meer nog dan de geschriften van Becker en Grothe, maar het neemt niet weg dat het feit dat onder de huidige politieke constellatie Turkije zelf veel voordeel kan hebben van de alliantie met Duitsland. Maar als we nu toekomst voorstellen zoals de Duitse schrijvers die verlangen, komt de situatie ontdaan van alle franje als volgt naar voren: Turkije door Duitsland afgeschermd van alle lastige inmenging van Engeland, Frankrijk en Rusland, zal onder Duitse voogdij zijn, en—hoewel met zorgvuldige vermijding van de term — het een Duits protectoraat worden. Het leger, de administratie, zijn financiën, alles moet grondig door Duitsland worden gereorganiseerd.

De relatie zal anders van vorm zijn dan het protectoraat van Frankrijk in Marokko en die van Engeland in menig mohammedaans vorstendom. In rustiger tijden heeft het in Duitsland nooit ontbroken aan loftuitingen over de wijze waarop de Engelsen in India en de Fransen in Noord-Afrika hun mohammedanen bestuurden, hoewel kritiek en verontwaardiging nooit ontbrak wanneer de Duitse belangen op het spel stonden. Zij spraken van de pax Britannica en de pax Gallica, waar de vroegere onzekerheid, verwarring en corruptie voor hadden plaatsgemaakt. Zelfs Engeland’s werk in Egypte werd gewaardeerd, en hoorde men gunstige kritieken over het Islâm-beleid van Rusland in Centraal-Azië.

Wij hebben geen reden om minder gunstige resultaten te verwachten van een Duits protectoraat in Turkije, ja, het zou zelfs mogelijk zijn dat ze misschien veel fouten van hun voorgangers weten te vermijden en dat het uiteindelijk een zegen zal blijken te zijn voor de Turkse landen. Maar de Duitsers zou zeker ontdekken dat er een einde aan de dankbaarheid van de Turken zou komen wanneer de absoluut onvermijdelijke inmenging in alle ernst zou aanvangen, zelfs als de Turken er niet in zouden falen om het voordeel te erkennen van een aantal van de opgelegde hervormingen.

Bovendien, de adviezen van de Duitse deskundigen over Turkije en over de Islâm, vooral over de mogelijkheden voor hun reorganisatie, zijn in het geheel niet—althans niet voor deze oorlog—allemaal dezelfde als welke nu zo warm voorgestaan worden door Grothe en Becker. Professor Joh. Marquart, tegenwoordig professor aan de universiteit van Berlijn, bespot in het voorwoord van zijn werk, The Benin-collection of the National Museum of Ethnology in Leiden (1913) [De Benin-collectie van het Nationaal Museum van Volkenkunde in Leiden], “de vermeende functie van de Islâm als een drager van cultuur,” en hij spreekt met bijtende ironie van de “zegeningen van de jihâd, de roofzuchtige moord in de voetsporen van Allah die in een religieuze plicht is veranderd”, dwz., die plicht die Duitsland nu weer heeft opgedrogen aan Turkije. Het was niet slechts in Duits missionaire kringen dat de Islâm als de vijand werd gezien die het meest van allen besdtreden moest worden, maar in een Duitse koloniaal congres werd deze resolutie aangenomen: “Aangezien de expansie van de Islâm een ernstig gevaar oplevert voor de ontwikkeling van onze koloniën, stelt het koloniale congres voor serieuze overweging voor”, enz.

Professor Martin Hartmann, die de wetenschap van de Islâm doceert aan het seminarie voor Oosterse Talen in Berlijn, en wiens pen heeft ons een aantal opmerkelijke geschriften over de Islâm en over Turkije heeft bezorgd, wordt nooit moe erop te wijzen dat de moslims voornamelijk woorden weerhoden van deelname aan de cultuur door de instituties van de Islâm, die neerkijkt op de vrouw en de niet-gelovigen veracht.[7]

Hij noemt het kalifaat van de Ottomaanse sultans een usurpatie, die alleen kan zijn gepleegd uit minachting voor de heilige traditie, een “middel voor agitatie”, een “gemakkelijke manier om door de wereld van de Islâm als een soort van fetish te worden beschouwd”, hij zegt dat “deze dubbele kwaliteit [van de sultan-kalief] nooit erkend is door de beschaafde mogendheden” en dat het oprechte verlaten van deze titel Turkije eerder zal versterken dan verzwakken. Uiteraard heeft hij ook een paar dingen te zeggen over de heilige oorlog.

Daarover stelt hij zijn mening opzettelijk op schrift wanneer het woord jihâd bij de Turken opkwam in hun oorlog met Italië in Tripoli, en hij maakte gebruik van deze uitdrukking, die weer actueel is geworden: “& de dreiging van een heilige oorlog, dwz, van de oorlog tegen alle ongelovigen, behalve dan tegen degenen die uitdrukkelijk door de leiders van de Islâm aan de gemeenschap zijn aangewezen als vrienden van de Islâm. Dit idee is waanzin.” Aangezien de zetel van de agitatie op dat moment in Berlijn was, voegt daaraan toe: “Laat dit een waarschuwing zijn tegen het scheppen van onrust door het aanwakkeren van religieus fanatisme. Alle beschaafde naties zullen zich unaniem verzetten tegen elke poging daartoe.” Ik zou stapels drukwerk kunnen citeren met dezelfde teneur; ik stel mij tevreden met nog één: “De Islâm is een religie van haat en oorlog. Het mag niet geduld worden het heersende principe te zijn in een land van de beschaafde wereld.”

Ik zou minstens zo veel uitspraken kunnen citeren van dezelfde auteur die de indruk geven dat de Turken een natie vormen die in Turkse Rijk het minst geschikt zijn ook maar enig goed te doen voor de ontwikkeling van hun land. Overal waar het Turkse element zich met het punt van het zwaard heeft opgedrongen aan andere mohammedanen, heeft het “culturele bezittingen vernietigd en niets gecreëerd, absoluut niets, in de zin van culturele waarden.” Hun religieuze eigenwaan is zelfs nóg onverdraaglijker dan hun nationale eigendunk. De Turken van Constantinopel zijn “een vreselijke bende” (“Ein schauderhaftes Gesindel”) en de “oprechte Anatoliër” (die ook in Grothe voorkomt) is een product van de legende. En zo’n inferieure natie “wil hij het overheersende element zijn in het grote rijk van Scutari en Preveza tot Van en Bassora!”

Professor Hartmann heeft een buitengewoon levendig temperament, en ik zou niet van durven dromen al zijn opinies te onderschrijven of ontkennen dat zijn opmerkingen overdreven zijn. Maar in de kennis van zijn onderwerp staat hij veel hoger dan Grothe, en ten aanzien van Turkije ook hoger dan Becker, met wie hij samen de belangrijkste vertegenwoordiger is van de wetenschap van de Islâm in Duitsland. Daarnaast heeft Becker zich voorheen over de kwestie van de Islâm in vrijwel dezelfde manier uitgedrukt, hoewel in een meer gematigde vorm en op een andere toon.

Natuurlijk is Becker zelf de eerste om de tegestelling te voelen tussen zijn toetreding tot de fanfare in zijn laatste geschriften met de woorden kalief en jihâd, en de opinies die hij uitte in vroegere tijden van rustig wetenschappelijk werk. Hijzelf herhaalt de colcluderende slotzin van een lezing die hij in 1910 in Parijs had gegeven: “Als de solidariteit van de Islâm een fantoom is, dan is de solidariteit van het blanke ras een realiteit,” maar nu doet hij dat om de inwerking van deze woorden af te zwakken en het te beperken tot de Islâm van de negers in Afrika, die het belangrijkste onderwerp van zijn toespraak waren. Waarschijnlijk was er niemand onder zijn publiek die deze begrenzing begreep, aangezien de geciteerde woorden onmiddellijk voorafgegaan waren door deze: “de angst dat een macht zich zou verenigen met de Islâm om een ander te dwarsbomen, lijkt mij niet behoorlijk gegrond.”

Daarnaast had Becker in vroeger tijden, bijvoorbeeld in 1904, in een artikel over de Pan-islâmism, de pan-Islâmitische idee voorgesteld als in strijd zijnde met de ware belangen van Turkije[8]: “De Jonge-Turken hadden gehoopt [na de Russisch-Turkse oorlog van 1878] met hun hervormingen juist een einde te maken aan dat religieuze element, dat van de sultan boven alles de kalief maakte, de protagonist van de Islâm, en dus de normale ontwikkeling van het Ottomaanse Rijk onmogelijk maakte, dat hoe dan ook voornamelijk uit christenen bestond.” En in de Duitse vertaling[9] van de bovengenoemde lezing in Parijs in 1910, komt de volgende aanvullende passage voor: “Het kalifaat van de Sultan van Constantinopel werd, tot aan de revolutie van de Jonge-Turken, de basis van het Turkse Islâm-beleid. Zeker heeft Jong Turkije de claim van het kalifaat niet laten vallen, maar als zij er echt op uit is om uit te groeien tot een constitutionele staat, zal ze er zo weinig mogelijk gebruik van maken. (…) Een sterk Turkije, en dat spreekt voor zich, zal nimmer politieke soevereiniteit claimen over de Islâmitische onderdanen van andere machten. (…) “

In zijn meest recente pamflet, Deutschland und der Islâm, bekent Becker zijn recente draai en beweert dat zijn lang gekoesterde inzichten verkeerd waren. Hij, evenals Grothe, wijdt nu breedvoerig uit over de twee bezoeken van keizer Willem aan sultan Abdulhamîd (1889 en 1898), de tweede gecombineerd met wat Grothe noemt “een politieke pelgrimstocht naar het Heilige Land.” De wereld heeft kennis genomen van deze bezoeken, waarvan de eerste een jaar na de aanbesteding van de Anatolische spoorweg was, dat wil zeggen in 1889, als overheerlijke demonstraties van het industriële en commerciële belang van Duitsland in Turkije.

De manier waarop het was gedaan deed velen, zelfs in Duitsland, de schouders ophalen. Allereerst leek Abdulhamîd, de “bloeddorstige” tiran, in wiens misdaden uiteindelijk alle grote mogendheden gedeelde schuld hadden—wat Berard, en samen met hem Hartmann, “het complot van de stilte” had genoemd—een vreemd object voor een dergelijke verstrekking van zo’n hartelijke vriendschap, die in Constantinopel een plompe herdenkingsfontein had achtergelaten die volgens deskundigen een belediging voor goede smaak is. Bovendien was de indruk die op de Moslim wereld werd gewekt niet geheel zoals bedoeld.

Voorzeker, werd het als opmerkelijk gezien dat de vorst van een machtig Europees imperium twee keer hulde kwam brengen aan de sultan, te meer omdat bekend was dat er geen tegenbezoek van de sultan volgde; de bezoeker toonde zich aan de bewoners als de ondergeschikte en eenvoudig mohammedaanse zielen, wiens kennis van de wereldkaart en de wereldgeschiedenis eerder van legendes stamt dan van de werkelijkheid, zagen hier een bevestiging in van hun overtuiging dat de hele aarde onderworpen is aan de allermachtigste moslimse soeverein, en dat alle prinsen zijn vazallen zijn, zelfs als zij deels zeer onhandelbaar zijn. Deze hommages droegen op geen enkele manier bij aan de glorie van Duitsland in het Oosten, ongeacht wat vleiers er van brouwen voor Duitse reizigers. Echter, de vreemdste indruk van alles werd gewekt op diegenen die de Islâm kennen door de toespraak van de keizer op zijn tweede reis (1898), in Damascus, bij het graf van Saladin, waar hij ook een krans legde.

Saladin (Salâh-ad-din) is populair geworden in Europa door de geschiedenis van de kruistochten en in het bijzonder door Lessing; in het mohammedaanse Oosten is zijn naam is al lang vergeten, behalve onder de weinige studenten van de geschiedenis en literatuur. Die kennen hem als een gewetenloze politicus, die middels ontrouw en verraad tot grote macht was opgeklommen, en veel vergeven wordt, want hij was een streng orthodoxe kâfir-hater, en niet dat voorbeeld van achttiende-eeuwse tolerantie die Lessing in zijn Nathan der Weise van hem heeft gemaakt. Op het graf van deze hater van het christendom, sprak de keizer van een wereldrijk, die—zoals Becker ons eraan herinnert het Christendom als zijn saats-religie heeft—deze woorden: “De driehonderd miljoen mohammedanen die over de hele wereld verspreid zijn kunnen er zekerd van zijn dat de Duitse keizer eeuwig[10] hun vriend zal zijn.”

Dit deel van het vertoning heeft net zo weinig blijvende indruk gemaakt in de Moslim wereld als Saladin zelf; en Duitse wetenschappers van die tijd schudden hun hoofd toen ze ervan hoorden. Maar nu zijn deze woorden plotseling een premie: Grothe en Becker geven hun interpretaties ervan, en de Turken zijn zo energiek eraan herinnerd dat Nazimbey ze citeerde in zijn toespraak tot de Duitse ambassadeur en dat de sultan er per abuis de vaak gecorrigeerde, in ieder geval zeer verouderde, census-getallen aan ontleende in zijn manifest.

Tot voor kort was Becker “door onwetendheid,” zoals hij nu voorwendt, “van oordeel dat dit benadrukken van de kalief-titel door Duitsland een vergissing is”, maar nu, na de uiteenzettingen prins von Bülow in Deutschland unter Kaiser Wilhelm II., ontdekt hij er vol vreugde de eerste krachtige uitdrukking van een “bewust Duitse Islâm-beleid” in, en het bewijs “dat het Duitse beleid voor het eerst rekening gehouden heeft met de Islâm als een inter ^ rationele factor.” Becker’s wetenschappelijke geweten — in deze ommezwaai en in zijn verdediging van de adoptie van het kalifaat als één van de factoren van de internationale politiek — is niet zo onbekommerd als dat van Grothe, die niet in het minst het groteske van dit Islâm-beleid weet aan te voelen. In ieder geval zegt Becker dat hij niet wenst te worden beschouwd als zou hij een opinie hebben uitgesproken over de relatie tussen Turkije en Duitsland; dat hij zich wenst te beperken tot het hebben erkend van het feit dat een dergelijke relatie bestaat; dat in feite miljoenen ontevreden mohammedaanen onderdanen van Europese landen van Turkije hun verlossing verwachten, en dat voor Duitsland de tijd was gekomen om van deze stemming gebruik te gaan maken.

Redding uit Turkije! Het land waarvan Martin Hartmann recent nog had gezegd dat “de uitsluiting van de Islâmitisch-Turkse overheersing van Europa nabij is”, en dat “zij [Turkije–vert.] al lang geleden gedreigd had moeten worden onder curatele te worden gesteld”, of ook: “aldus komt alleen sneller datgeen wat er hoe dan ook toch eens van had moeten komen: het verdwijnen van de politieke macht uit de handen van het stervende Turkendom”; uit Turkije, wat volgens Becker opnieuw opgebouwd moeten worden en onder energieke leiding van Duitsland worden omgevormd tot een modern beschaafd land, iets wat hij een paar jaar geleden alleen uitvoerbaar achtte als het kalifaat-idee ófwel geheel verlaten werd, óf zo weinig mogelijk nadruk zou moeten krijgen!

Hoe komt het dat Turkije ineens in staat geacht wordt om datgeen te doen wat tot voor kort nog als onzin terzijde was geschoven; hoe komt het dat ze nu iets als nuttig voor Turkije aanbevelen, wat niet zo lang geleden nog als een bron van zekere ruïnering werd beschouwd? Toen Harmann in zijn Ultimatum des Pan-islâmismus de agitatoren geselde die aan het Turks-Italiaanse conflict het karakter van een religieuze oorlog wilden geven, gaf hij op hetzelfde moment de scherpste kritiek denkbaar op de huidige pogingen van Duitsland om het stervende middeleeuwse fanatisme van de mohammedaanse wereld te doen herleven. “Turkije kan alleen maar uitroepen: Laat de hemel mij tegen mijn vrienden beschermen!” — zei hij toen terecht. Wat zou Turkije nu niet mogen uitroepen, nu haar beste vriend haar opjut tot een religieuze oorlog, en op dit moment mohammedaanse gevangenen aan haar uitlevert die tegen Duitsland hadden gevochten, om hen te onderwerpen aan een politiek-religieuze bekeringskuur?

Wij kunnen dit alles alleen toeschrijven aan de erbarmelijke verstoring van het evenwicht, ook in de intellectuele sfeer, van wat wij de beschaafde wereld noemden. Want in normale tijden weten we dat de Duitsers veel te verstandig en logisch zijn om de enorme onzin te verteren dat iets wat dat in het algemeen beschouwd zou worden als een schande voor de mensheid en een ramp voor Turkije, iets goeds en lovenswaardig zou worden zodra Duitsland zich achter of naast de Halve Maan schaart. We weten niet wat de kwestie zal zijn van veel van de huidige verschrikkelijke gebeurtenissen, maar dit, zo denk ik, mag ik nu al met zekerheid voorspellen: dat binnen niet al te lange tijd een aantal Duitse geschriften ervan zullen getuigen dat ook in Duitsland verontwaardiging is gewekt door het verachtelijke spel dat gespeeld wordt met het kalifaat en de heilige oorlog.

Het zou riskant zijn, nu de feiten zo snel hun onmiskenbare taal spreken, om te proberen te voorspellen in hoeverre de poging om de storm van een mohammedaanse religieuze oorlog op grote schaal aan te wakkeren, en daarmee eindeloze verwarring in de internationale betrekkingen te veroorzaken, een kans van slagen heeft. Voorheen sprak Hartmann met volle overtuiging tegen een dergelijke mogelijkheid: “(…) zodra”, zei hij, “de vertegenwoordigers van de verschillende Islâmitische groepen met elkaar confereren over gemeenschappelijke maatregelen, komen de enorme verschillen in etnische, economische en intellectuele tendensen onder de tweehonderd miljoen mohammedanen vanzelf boven!” Becker, die voorheen “de solidariteit van de Islâm een fantoom” noemde, zegt nu: “De grote oorlog, die zoveel onthult en beslist, zal ook het bewijs leveren voor de vraag of de veel besproken internationale solidariteit van de Islâm een reële factor is of een waanbeeld.”

Het is zeker dat als Duitsland blijft volharden in haar huidige “Islâm-beleid”, er geen gebrek zal zijn aan allerlei maatregelen die bestemd zijn om voor het mohammedaanse publiek met de geschiedenis van de oorsprong van dit beleid kennis te laten maken, en de nieuwe status van vazal waar de opnieuw gecreëerde sultan-kalief zich in bevindt met betrekking tot Duitsland. Maar tegen een commandant van de gelovigen, die zelf een ondergeschikte van een ongelovige commandant is, kunnen zelfs mohammedanen van de oude stempel, die anders niet door de komedie te misleiden zouden zijn geweest, ernstige bezwaren hebben. De belangrijkste basis van de claim van de Ottomaanse sultans was hun zwaard, niet een zwaard dat zou worden getrokken of opgeborgen op bevel van een ongelovige “bondgenoot.”

Gelukkig hoeven we ons geen zorgen te maken betrekking tot onze Nederlands-Indische mohammedaanse bevolking. Zij hebben de Islâm aangenomen toen het Turkse rijk al bestond, maar zonder dat Turkije het in de gaten had, en zij hebben nooit contact gehad met de Halve Maan. De Sultan van Rûm, zoals zij de Grote Heer van Constantinopel noemen, bleef voor hen als een creatuur uit een legende. Zeker is de Pan-islâmistische gedachte doorgedrongen tot in de Oost-Indische Archipel, maar heeft het er weinig vruchtbare grond gevonden. De grote massa van de lagere klassen blijven erdoor onaangetast, en de meerderheid van de hogere klassen is geheel immuun voor deze politiek-religieuze mengeling van bedrog en nonsense.

En we hebben goede reden aan te nemen dat deze immuniteit zich voortdurend zal verspreiden. Want waar Duitsland zeer onlangs haar “bewuste Islâm-beleid” heeft ingehuldigd met de hierboven beschreven vertoningen, hebben wij al een paar jaar langer ons bewuste educatie-beleid gekend ten aanzien van de inheemse bevolking, die de geschiedenis aan onze zorg heeft toevertrouwd; en daar staan het kalifaat en heilige oorlog en andere middeleeuwse ongerechtigheden gelukkig machteloos tegenover. Als wij alleen maar onwrikbaar vasthouden aan onze eeuwenoude garantie van volledige godsdienstvrijheid voor onze mohammedanen, en tegelijkertijd ons educatieve beleid blijven voeren op een telkens hoger tempo, zullen we nooit bang hoeven te zijn voor het eigenaardige soort van “intellectuele wapens” die nu voor het eerst in omloop worden gebracht met het handelsmerk “Made in Germany”. Toch blijven wij erop hopen dat in het belang van de mensheid, Duitsland uiteindelijk het nieuwe product uit de handel zal nemen.

De heilige oorlog van de Islâm is, zoals we meerdere malen hebben opgemerkt, een uitgesproken middeleeuwse instelling waar zelfs de mohammedaanse wereld zich van aan het losmaken was. Eén van de eigenaardigheden van dit instituut mogen we oprecht bewonderen: heilige oorlog tegen medeleden van de mohammedaanse gemeenschap is absoluut uitgesloten door de wet van de Islâm. De beperking van de gemeenschap tot mohammedanen — diegenen die dezelfde dogma’s belijden over wat er na dit leven is — is middeleeuws; maar het opvatten van tweedracht binnen de sfeer van de gemeenschap als iets onbehoorlijks, biedt een uitstekende basis voor de hoogst mogelijke sociale beschaving en is behoorlijk vernederend voor de moderne wereld.

Laten wij eens luisteren naar wat Martin Hartmann er in zijn opgwonden toon over schrijft: “In tegenstelling tot de Islâm, waar de oorlog in principe beperkt is tot de oorlog tegen diegenen van een ander geloof, als zijnde ‘ongelovigen,’ zou niemand in de christelijke wereld een uizondering maken voor een oorlog tegen de aanhangers van hetzelfde geloof, en in dit opzicht zijn de dienaren van de kerk van Liefde niet zelden de ijverigsten in het daarop aandringen, dat wil zeggen, in het ontkennen van het Evangelie leveren zij het bevel tot het patriottistische gebaar, dat in dit geval een schending van het vijfde gebod inhoudt; laat staan dat andere gebod: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.”

Voorzeker, in de Islâm is het alleen nodig de middeleeuwse beperking van het recht op een volledig politiek bestaan op te heffen — die beperkt was tot leden van dezelfde gemeenschap — en het idee van de gemeenschap uit te breiden tot één die de hele wereld omarmt, om aldus absolute wereldvrede te verzekeren, een absoluut gebod van de goddelijke wet.

Voor moderne staten die mohammedanen als onderdanen hebben, of als protegé’s, of bondgenoten, is de schone taak voorbehouden dezen en tegelijkertijd zichzelf te onderwijzen over deze hoge opvatting van de menselijke samenleving, in plaats van ze terug te leiden — omwille van eigen egoïstische belangen — naar de manieren van de middeleeuwse religieuze haat die zij net op het punt stonden achter zich te gaan laten.

Noten:
1. “Eenige Arabische strydschriften besproken,” Tydschrift van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel xxxix., pp. 379-427.
2. Mijn ervarige van die tijd heb ik beschreven in het februarinummer van De Gids, 1909.
3. Op zijn reizen werd Grothe, zijnde een Duitser, door de Turken steeds omschreven als “onze vriend”, wat hij vertaalt met bizim dost in plaats van dostomuz, en zijn Turkse vertaling voor “een “Duitser” is altijd Alemanly in plaats van Alman of Almanjaly.
4. Deze samevatting is ontleend uit de toespraak door de Duitse keizer in 1898 bij het graf van Saladin; het lijkt dan alsof de bevolking in de afgelopen zestien jaar niet zou zijn toegenomen.
5. Om ten volle de zalvend fanatieke fetwa en afkondiging, moet men bedenken dat de echte auteurs van beide documenten, Enver, Taläat, et al. nagenoeg vrij-denkers zijn.
6. Het is één uit een lange serie “politieke pamfletten” — Politische Flugschriften — bewerkt door Ernst Jäckh, en die onder haar contribuanten de prins von Bülow (wederom) en andere beroemdheden telt. Verder publiceerde Becker in de collectie Bonner Vaterländische Reden und Vorträge während des Krieges een lezing over “Deutsch-Türkische Interessengemeinschaft” (Duits-Turkse belangengemeenschap); in de Süddeutsche Monatshefte een artikel “Engeland und Egypten,” en in Das Grossere Deutschland een artikel “Engeland und der Islam.”
7. Het volgende is een korte bloemlezing van titels uit M. Hartmann’s geschriften uit de meest recente jaren: “Der Islam, 1908,” in Mitteilungen des Seminars für Orient. Spr. in Berlin, Jahrg. xii., Abt. ii., 1909; Die Arabische Frage, Leipzig, 1909; Der Islam, Leipzig, 1909; “Die neuere Literatur zum Türkischen Problem” (Recente Publicaties over de Turkse Kwestie), in Zeitschrift für Politik, 1909; Unpolitische Briefe aus der Türkei, Leipzig, 1910 (Niet-politieke Brieven uit Turkije); Islam, Mission und Politik, Leipzig, 1912; Fünf Vorträge über der Islam, Leipzig, 1912 (Vijf lezingen over de Islâm); “Das Ultimatum des Panislamismus” (over de Heilige Oorlog tegen Italië), in Das Freie Wort, Jahrg. xi., No. 16; “Mission und Kolonialpolitik,” in Koloniale Rundschau, Heft 3, März, 1911.
8. “Panislamismus,” Archiv für Religionswissenschaft, Bd. vii., 1904.
9. “Der Islâm und die Kolonisierung Afrika’s,” in Internal. Wochenschrift für Wissenschaft, Kunst und Technik, 19 febr., 1910.
10. Een welgepaste hoedanigheid, zeker ook gepast voor politieke vriendschap!

[i] “Ook de door somige moslimsche volken te koste hunner naburen gepleegde zeeroverijen, worden bij voorkeur als djihâd voorgesteld.” [Zie Handleiding Tot De Kennis Van De Mohammedaansche Wet Volgens De Leer Der Sjâfi’itische School, Th.W. [Theodoor Willem] Juynboll; E.J. Brill, Leiden 1930 / Brill Academic Publishers (Aug 1997); voetnoot p.347]
——————————————

Dit is een vertaling van C. Snouck Hurgronje, Holy War made in Germany, uitg. G.P. Putnam; New York, London 1915. Cursieven in de tekst zijn als in het (Engelstalige) origineel.
Heilige oorlog “made in Germany”, verscheen eerst in “De Gids,” (januari) 1915, I, 115 vv.. Later werd het opgenomen in Nederland en de Islâm, Leiden 1915, blz. 10 vv. [onder de titel: “Duitschland en de heilige oorlog” (1914)”] en verscheen in een Engelse vertaling onder de titel: The holy war made in Germany, G.P. Putnam & Sons, New-York 1915. Een Duitse vertaling verscheen met de titel “Deutschland und der heilige Krieg” in o.a. Internationale Monats- schrift für Wissenschaft, Kunst und Technik, 9 (Leipzig-Berlin, Mai 1915), pp. 1025-1034.


  • Martien Pennings

    Ik heb een vraag aan Delecluze en ik zie geen mogelijkheid hem die op een andere manier te stellen. Dus dit is een beetje off topic. Heb je een bron, Delecluze, bij het lange citaat van Jacob Burckhardt in jouw artikel “Geert Wilders en totalitaire islam” van 2 November 2009?

  • Delecluze

    @ Martien Pennings: Dat citaat is uit: Jacob Burckhardt, “Judgments on History and Historians” (1929). Hier is een directe link naar dit citaat in de tekst van “Judgments on History” (hfdst. 22; “The Despotism of Islam”).

  • Pingback: De terreurlink van de Gazavloot :: Liberties Alliance()

  • Florac Bosch

    EU LEIDERS PROBEREN DE ISLAM VAN JIHADISME TE SCHEIDEN!

    Bijna alle EU leiders beweren dat islamisme/jihadisme niets met de islam te maken heeft. EU leiders zijn bang en zij kennen de moslims niet. Maar het startpunt van islamisme is het concept van het jidadisme (militaire doctrine van heilige oorlog tegen de ongelovigen). Islamisme heeft religie en politiek aan elkaar geklonken. En wat het nog erger maakt, is dat alle agressieve kantjes van de islam vrij spel krijgen in deze mix. Islamisme is in feite een politieke doctrine, waarin ‘ras’ is vervangen door ‘religie’.
    Jihadisme is de drijvende kracht achter het geweld vanuit de islamitische wereld. Islamisme is verworden tot de belangrijkste bedreiging voor de geciviliseerde wereld. Islam is de voedingsbodem voor de politieke dogma’s van het Jihadisme: islamiseren van de wereld, vernietiging van geestelijke vrijheid, vernietiging van de beschaving.
    Hou op islam als zuiver religie uit de wind te houden. Het is een politieke beweging geworden met alle gevolgen en gevaren van dien. Het is een vijandige ideologie die Europa naar het leven staat. Dat blijven ontkennen zal onze ondergang inluidden.

    Er zijn ongeveer 2 miljard moslims op de aarde, waarvan 1.7 miljard Salafist/soennitisch is. Isis, Hamas, Al-Nusra, Al-Qaeda, Boko Haram, Taliban, Al-Nusra etc. zijn allemaal soennieten/salafisten. Jihadisten vormen geen aparte sekte of partij etc. Om moslim te worden, moet men jihad accepteren! Jihad (heilige oorlog) is een kernwaarde, de basis van islam, net als bidden in de moskee. Iedere moslim moet minimaal 1 keer aan een jihad deelnemen, anders kan hij niet naar de paradijs! Daarom gaan moslimjongeren naar Syrië, Mali, Libië, Afghanistan of Irak om daar deel te nemen aan de gewapende strijd…

    Merkel: “islam hoort in Duitsland”

    De islam hoort thuis in Duitsland zegt ze maar hoort Duitsland thuis in de islam? Nee, De islam hoort niet in europa en wij horen niet in de islam landen. Kerken mogen daar ook niet. En de Islam wordt ons door de regeringsleiders opgedrongen. Politici leven zo in hun eigen fantasie wereld! De demografische ontwikkelingen in Duitsland met een autochtone “fertility-rate” van 1.4 tegen een autochtone van bijna 6 zorgt ervoor dat Duitsland rond het midden van deze eeuw in meerderheid islamitisch zal zijn.  Beetje hypocriet van Merkel eerst roepen dat ze Charlie heet en nu zeggen dat alle moslims welkom zijn in Duitsland. Hypocriet… Laf is een beter woord. Zolang een politicus nog geen verschil ziet of weet tussen de sektes,disciplines en kernwaarden in het geloof dan blijft het probleem Islam bestaan en als Merkel hiermee door gaat is het einde CDU, Merkel is haar eigen einde aan het voorbereiden. De Islamitische ideologie heeft geen toekomst in het vrije democratische westen. Hoeveel domheid kan compact in een persoon zijn gestopt en dit is ook nog eens het voorbeeld voor onze Rutte. Europese leiders zijn stekeblind voor de gevaren van de veel te grote groep intolerante moslims. En zo pamperen de Europese regeringleiders maar door, om alles te verdraaien en zich zo staande te houden in de pamper politiek waar er alleen luiers verschoond worden en verder niets gedaan wordt aan de echte ellende die dit allemaal met zich meebrengt!

    Merkel slaat de handen in een met de Salafisten…Bijna 90% van de moslims in Duitsland zijn juist salafisten/jihadisten. Honderdduizenden mensen de straat op tegen terreur aanslagen van moslims! Maar de leiders die heel veilig ergens zich terug trekken blijven de islam maar steunen. Volgens Angela Merkel zelf is de multi-culturele samenleving mislukt. Maar toch niks ervan willen leren. Op geen enkel gebied niet. Vooral stug doorgaan en hopen dat alles uit zichzelf weer goed komt. En vooral bezorgde burgers blijven wegzetten als extremisten. Dan ben je ongeloofelijk goed bezig. Het volk is altijd als eerste de pineut en dat blijken de leiders niet te deren! Dit soort leiders moeten ook weten dat er overal waar de islam verschijnt, gaan oorspronkelijke culturen/beschavingen op termijn ten onder.
    Merkel, Barosso, Cameron, Hollande kiezen voor de islam, en krijgen daarvoor een pluim van moslimlanden. Het is diep treurig en angstaanjagend.

    De grote Franse bladen waren, zijn en blijven te laf om spotprenten over de islam te publiceren.

    De gruwelijke dood van de tekenaars is zinloos geweest, de Europese machthebbers blijven blind en doof voor de moslims. De Nederlanders werden gedwongen begrip op te brengen voor de islam en de immigratie van islamieten. Nu heeft men een nieuwe manier gevonden; twee soorten islam. De goeden en de slechten. De slechten zijn de terroristen en IS, dat is geen echte islam. Dit hebben ze 25 jaar geleden ook gezegd, zo gaan we gewoon door, dat is alles alleen erger.
    Erger is, dat de overheid na de aanslag in Parijs, in overleg met Marokkaanse en Turkse organisaties besloten heeft om moslimhaat beter te bestrijden. Onder de naam “moslimhaat bestrijding”, doen ze van alles wat hun dictators dicteren en geven informatie aan de jihadisten door! Moslimleiders hebben zoveel macht dat ze in de Nederlandse politiek makkelijker kunnen infiltreren en journalisten, schrijvers, docenten in het openbaar kunnen bedreigen. Onder de naam positieve discriminatie zijn er tienduizenden Moslims gestationeerd bij de overheid instellingen. Veel moslims die bij de overheid werken hebben de banden met de Salafistische organisaties.

    Turkse dictator Erdogan, en dit is dan de grote vriend van onze ongekozen EU-leiders, gaat nog verder: “islamofobie en racisme zijn oorzaak aanslagen Parijs”, Niet de islam maar ‘racisme. Haat zaaien en islamofobie’ zijn drijvende krachten geweest achter de aanslagen in Parijs”, zegt hij! Over ongeveer 20 jaar als de moslim de meerderheid hebben, worden de regels stuk voor stuk aangepast ( kijk maar naar Erdogan ) en krijgen de slachters van Paris etc. een heldenstatus. Hoe dom moet je zijn om dit niet te zien. Heel bizar. Dit is de prijs die we mogen betalen als dank voor het onbegrensd binnensluizen door onze ‘bestuurders’ van deze ideologie.

    Kalifaat Erdogan met zij Islam, moskeen, hoofddoekjes en het politieke proces tegen Geert Wilders!

    Turkse dictator dicteert ook over de grenzen. Turkije heeft 7 miljoen Euro gereserveerd om Turks-islamitische organisaties te mobiliseren! Turken moeten “lobbyen” om wilders te laten vervolgen! Turkije bekend als een zeer corrupte land, gaat nu haar corruptie virus in Nederland verspreiden! Met “lobbyen” bedoelen ze gewoon omkopen: met de drugsgeld gaan de turken Nederlandse politici en ambtenaren omkopen! Erdogan dringt bij de Turkse organisaties om het proces tegen Geert Wilders te steunen! Dat is hun antwoord c.q. oplossing op de aanslag. Europa heeft via immigratie de jihadist uitgelegd voor infiltratie, dreiging en dominantie en dreigt het slachtoffer te worden van haar jarenlange falende beleid. Sommige regeringen proberen om politieke redenen de feiten te verdoezelen. Ze propageren dat dit alles niets met de islam te maken heeft…Op deze manier proberen ze dat de islamisering proces niet verhindert wordt!

    Zijn ondertussen in Turkije alle christenen al niet uitgemoord? Denk aan Armeense genocide (De eerste christelijke bevolking van de wereld) Laat Turkije dat eens erkennen. Dit gaat ook hier gebeuren en Merkel weet dat… dit maakt haar een eng mens. Alles voor de macht, maakt niet uit of het bloed van haar eigen mensen vloeit.

    Men wilt dus de vrijheid van mening beperken. Dit hebben ze besloten voordat zij aantraden voor de hypocriete polonaise voor het vrije woord in Parijs. En de Parijse demonstratie is dezelfde oude politiek, bekende symboolpolitiek van de elite. Er is niets veranderd, het blijft de kop in het zand steken van de gevestigde politieke elite. Elite staat achter zijn oude beleid: Kritiek op de immigratie van moslims is al strafbaar geworden: “Minder moslims,minder Marokkanen instroom” is strafbaar geworden in Nederland… Nederland gaat ten onder aan zijn naïviteit en baantjesjagerij.

    Overheden nemen geen afstand van hun eigen islamisering beleid, nl, het binnensluizen van miljoenen moslims in Europa, waarvan een deel jihadistische moordenaars, en een groot deel sympathisanten daarvan. Terwijl de gevaarlijkste dreiging voor Europa momenteel de dreiging van, “instroom van meer moslims” is, wilt de politieke elite niet stoppen met zijn “meer moslims” beleid!
    Islam is altijd via zijn bekende immigratie politiek verspreidt! De zwaarden uit de tijd van Mohammed, voor moslims de meest perfecte mens, zijn de kalasjnikovs van nu. ISIS, HAMAS, AL-NUSRA, AL-QAEDA doen exact hetzelfde.De basis hiervoor is te vinden in het Koran, een politieke ideologie, die zijn bekende heilige oorlog weer hervat om de islam over de EU landen te verspreiden.

    Hoe kun je de ene Jihadist vereren en tegelijkertijd de andere veroordelen? Is dat allemaal wel oprecht? Laffe EU leiders willen geen afstand nemen van een intolerante en gewelddadige godsdienst en een splijtzwam in onze samenleving. Steeds maar weer proberen de Islam van terrorisme te scheiden gaat ons heel erg de keel uithangen. Maar helaas het is de islam maar in zijn echte vorm. Welke kritiek dan ook op de Islam afdoen als discriminatie of zelfs racisme zal ook niet leiden tot het beoogde resultaat. Wanneer men dit soort zaken blijft proberen te onderdrukken en weg te wuiven, zal het uiteindelijk leiden tot meer extreem verzet, vanwege de frustratie dat men niet luistert. De moslim op zich is extreem in hun belevenis van hun “religie”. De Koran staat boven alle wetten, regels, normen en waarden van de westerse staat waarin de moslim leeft. De opvoeding zou streng zijn en datzelfde wel maar dan op de islam manier en Koran. 

    Achterlijke beleidsmakers ontkennen dat wat wij hier ‘terrorisme’ noemen, in islamitische landen gewoon de wet is…
    De laffe Europese overheden zijn een geweldige instrument voor de islamitische moordenaars. Door hun hypocrisie helpen zij de kwaad en ondermijnen zij onze democratie. Hun geïmporteerde islam heeft op alle fronten gewonnen en de autochtone bevolking nog banger gemaakt dan ze al waren want alle grootspraak van de demonstranten dat ze niet bang zijn is loze praat.

    Onbekwame leiders zeggen weer dat de islam goed is! De angst overheerst: angst bij de elite voor de islam en daarom alles doen om de islam-aanhangers maar te vriend te houden. Louter islam-apologeten, schijnheilige weg-met-onzers, politiek correcte draaihalzen en dhimmie knipmessen passeren de revue. Angst bij de moslims om niet voor vol aan te worden gezien en daarom krampachtig aan hun geloof c.q. regels vast te houden. Vergeet niet de extremisten ontzien niemand ook hun eigen geloofsgenoten niet. Dat is de reden dat een moslim nooit een terreurdaad zal veroordelen op een enkele uitzondering na, die alle respect verdient. Juist een overheid hoort zijn burgers te beschermen en zich tegen het extremisme te weer te stellen, maar op dat punt geeft geen enkele regering in Europa thuis en daarom voelen de autochtone burgers zich onveilig in Europa. De zg politieke elite en haar propagandisten in de media zijn dus verantwoordelijk voor het enorme speelveld, dat islam en vooral de actieve intolerante elementen daarin is gegeven door de doctrine van de volstrekt doorgerotte en perverse politieke correctheid, een dwangdenken en redeneren net zo ziek en schadelijk als Islam. Veel EU leiders zijn nog steeds van mening dat we alle jihadisten met open armen moeten ontvangen,deze collaborateurs zijn bang dat arme moslims beledigd zouden kunnen worden. Echter moet men goed beseffen dat het begrip ‘beledigd zijn’ voor de fundamentalistische nauwelijks grenzen kent. Het kan ermee eindigen dat de aanwezigheid van een kerkhals een ‘belediging’ voor de islam wordt opgevat. Islam en de huidige politiek elite is een dodelijke combinatie voor de westerse volkeren. De islamitische infiltratie bij de EU staten zorgt ervoor dat de discussie wordt gesmoord.
    Door dit soort uitingen van de landverraders in Europa, krijgen de jihadisten voet aan de grond voor hun weer in de voordeel. Ze lachen er om hoe het westen vrijgevend met tolerantie omgaan.

    Omdat de Koran en de Hadith de moslims aanspoorden tot geweld tegen ongelovige mensen, en hen namens God vermoordden, zijn de echte Islam standpunten van Al-Qaeda, Hamas en ISIS gebleven. De standpunten van de Jihadisten zijn de echte islam. Als de moslims nog geen macht hebben, dan laten ze zien dat ze ook tolerant zijn. Maar als ze de macht hebben, worden ze opeens dominant, radicaal ,extremistisch, en laten ze aan iedereen hun echte gezicht en tanden zien.
    Het grootste gevaar dat ons bedreigt, komt van binnenuit! Het zijn onze regenten die nog meer moslims importeren: de import van dit verderfelijke geloof gaat gewoon door …Niet alleen de islam is het grootste gevaar maar de onverantwoordelijke elite die onze grenzen wijd heeft opengezet om zoveel mogelijk stemvee binnen te halen. Deze slaapwandelende elite ziet en beseft best wat ze aanrichten maar verkiezen het niet te willen zien omwille van de macht en Brusselse goudpotten. Ze zijn nu ‘geschokt’ maar het enige dat zal veranderen is meer geld en persoonlijke beveiliging. Hun zorg voor de bevolking zal niet verder gaan dan de gebruikelijke ‘ze dronken een glas, ze deden een plas, en ze lieten alles zoals het was’.

    Het is een fatale fout geweest zoveel moslims in onze landen toe te laten, dit alles danken wij aan onze bestuurders die over de jaren hun kop in het zand hebben gehouden om de waarheid maar niet te hoeven zien.
    Elke moslim in EU, is een toekomstig lid van deze Jihadisten. Want alles wat jihadisten nu doen tegen onschuldige mensen, hebben de moslims 1400 jaar lang tegen andere onschuldige mensen gedaan. Het is geen kwestie van verlichting maar van verplichting, derhalve Vrijwaring van godsdienst. 
    Het wegkijken zit zo diep daar moet wel een generatie overheen gaan. En intussen zit de vijand helemaal onder ons en gaan gewoon hun gang. 

    Maatregelen:

    Stoppen met importeren van een overtuiging die niet past binnen alle andere overtuigingen.
    De aanhangers van de islam dienen binnen het westen ingedamd te worden, m.a.w. geen uitbreiding van buitenaf en die er zijn kunnen blijven en zich vermenigvuldigen echter binnen de wet Vrijwaring van godsdienst.

    – De jihadisten of ze nu nog willen gaan, dan wel terugkeren, moeten het land uit. NL-paspoort intrekken en op de zwarte lijst,geen toegang meer tot NL. IS strijders laten gaan, paspoort afpakken en nooit meer Nederland in;

    – Grenzen dicht voor immigranten uit moslimlanden, een onmiddellijk verbod op immigratie uit islamitische landen, uitzetting van criminelen en jihadisten inclusief hun familie, vrienden, helpers en allen die op sociaal media en in moskeeën heulen met de islamitische massamoordenaars;

    – verbod op de bouw van moskeeën.

    – Moslims moeten een eed op de Nederlandse grondwet afleggen ! Deze ideologie/religie van moord, haat en discriminatie willen we nu niet en nooit niet in Nederland. 

    – geen uitkeringen meer naar het buitenland;

    – stoppen met de dubbele paspoort …

    – imams uitwijzen; Ophouden met het pamperen van moslims

    – de staatsomroep eens opheffen en neutrale zender ervan maken en ook daar dus vrijheid van meningsuiting.
    – Er dient wetgeving te komen dat religieuze groeperingen, of welke stroming dan ook, nooit en te nimmer de democratie kunnen misbruiken enkel en alleen door aantallen.