Komrij: Het Verraad van generatie ’68

By • on November 3, 2009

Lezing door de schrijver en publicist Gerrit Komrij over een politiek rampzalige bestuurdersgeneratie. “Ik spreek hier niet over de normale concurrentie en de gepaste nijd, ik spreek over een hele generatie die heeft gedeserteerd. Over verraad dat een einde heeft gemaakt aan een beschaving. Verraad dat de wereld een andere kant heeft opgestuurd.”

De Ruigoord-lezing “ter viering van het 30 jarig bestaan van dit [Ruigoord] flowerpower Mecca”, is gefilmd door Levina Tameris en op youtube gepubliceerd door de Rotterdamse acteur Henri van Zanten.
Update:
De tekst van de lezing is onder de titel “Het verraad van mijn generatie” opgenomen in het in maart 2010 verschenen boek: Gerrit Komrij, “Morgen heten we allemaal Ali, Vrolijke bespiegelingen over de tijdgeest”; De Bezige Bij, Amsterdam 2010 [ISBN: 978 90 234 5424 3]

| Het Verraad van de generatie ’68, deel 1 t/m 5 | (deze link speelt alle vijf delen aaneengesloten)

Video I

Dames en heren,

Ik wil verslag uitbrengen van een nachtmerrie. Een nachtmerrie is een kwaaie droom en de kwaaie droom in mijn geval is een droom die goed leek te beginnen maar al snel een verkeerde draai nam. De hoofdrolspelers — van de eerste tot de laatste minuut: mijn generatiegenoten.

De generatie, zogezegd, van mei 1968, de generatie van provo en verbeelding, de generatie van Hitweek en Gandalf, de generatie van een nieuwe muziek en een nieuwe beeldentaal, de generatie die geuzenwoorden maakte van “marginaal” en “protest” en “anti-autoritair”, de generatie van het verruimde seksualiteitsbegrip. Ik ben door mijn eigen generatiegenoten verraden. Ik maak deel uit van een generatie verraders. Onvermijdelijk ben ik daardoor ook zelf een verrader. Ik ben door verraad besmet, ik ben aanwezig geweest. Het doet niets af aan het feit dat ik me door mijn vrienden vooral verraden voel.

Ik ben in de steek gelaten. Ik ben verweesd. Ik sta in de kou. Al die pathetische sentimenten loeien door me heen als ik aan mijn leeftijdgenoten denk. Ik kan begrip opbrengen voor ouden van dagen en kijk vertederd naar kinderen — alleen mijn eigen generatie is me vreemd. Ik houd van ratten, muggen, piranha”s, neten — niet van mijn generatiegenoten.

Het leek zo mooi, als je ze op hun twintigste moest geloven. Met een hamer en een paar schroeven zouden ze zó het paradijs in elkaar zetten. Nog een oorlogje wegwerken, een paar massamoordenaars en een ouwe politiecommissaris opdoeken en het was gepiept.

Ik moet het “mijn” in mijn generatiegenoten, mijn tijdgenoten enigszins relativeren. Ik stond met mijn rug naar veel dingen toe. Ik was eerder bezig met de afbraak van mijn onschuld dan met de hervorming van de maatschappij. Ik had geen idee waar de landen lagen waarin het onrecht geschiedde waartegen mijn leeftijdgenoten protesteerden. Ooit heb ik een ruit ingegooid van het politiebureau op het Leidseplein, ooit heb ik het nummer van het literair tijdschrift waarvan ik zojuist redacteur was geworden — het meinummer 1968 — geopend met een vertaling van een maf Frans gedicht over de fiere, van hoop vervulde meimeisjes, ooit steunde ik op mijn manier een dissidente Griekse dichter, door de kolonels gevangengezet en vanzelfsprekend gemarteld, door een vertaling af te leveren, bestemd voor een protestbijeenkomst, van een gedicht waarvan ik niets begreep — ziedaar mijn complete bijdrage tot de revolutie.

Maar ik zag ze in de weer, mijn tijdgenoten, ik nam ze waar. Ik heb hun stappen gevolgd, hun blikken, hun gebaren. Ik zag ze in de weer vlak vóór en al met een halve hak óp de drempel van de instituten waardoor ze hun lange mars zouden afleggen. Bovendien was de beweging, de sfeer, de mentaliteit in die jaren zo algemeen, zo vanzelfsprekend — ook al stond je terzijde, ook al handelde je halfslachtig, ook al had je niet door wat je aan het doen of aan het nalaten was — je maakte er op je twintigste automatisch deel van uit, het hing in de lucht, je snoof het in en je ademde het uit. Het was ondenkbaar dat je het met de meeste standpunten en ontwikkelingen niet eens zou zijn. Liever gezegd, je was de ontwikkeling. Zelfs corpsstudenten gingen wadlopen en snuiven.

Als ik het over het verraad van mijn generatiegenoten heb spreek ik over een ander soort verraad — een uniek, totaal verraad — dan wat zich normaal onder generatiegenoten voordoet als ze ouder worden en zich geconfronteerd zien met de realiteiten van de maatschappij. Aan de onderlinge concurrentie wordt dan een flink deel besteed van het ellebogenwerk dat we van de mens gewend zijn. In elke generatie wordt naar boven gelikt en naar beneden getrapt, ouderen worden in stilte gehaat en jongeren afgunstig gepaaid, en vooral elkaar probeert men centen en vriendinnen afhandig te maken.
Ik spreek hier niet over de normale concurrentie en de gepaste nijd, ik spreek over een hele generatie die heeft gedeserteerd. Over verraad dat een einde heeft gemaakt aan een beschaving. Verraad dat de wereld een andere kant heeft op gestuurd.

Dat men de idealen van zijn jeugd verraadt is ook niet zeldzaam. Het is niet eens verraad, het is vroeg intredende vermoeidheid. Ineens zien we onze oude schoolvrienden — ooit stuk voor stuk brandstichters en oproerkraaiers — achter een kinderwagen sjokken, kanaries kweken, de toto invullen. Ze doen aan krulspelden, hypotheken, vitamine preparaten. Ze zien al snel geen verschil meer tussen de contouren van hun vrouw en hun sofa. Het verraad waarover ik spreek is pathetischer en tegelijk onzichtbaarder. Algemener en tegelijk nonchalanter. Het werd gepleegd met aplomb of tussen neus en lippen door, alsof het geen verraad was.

Ik ben meteen beland bij het opvallendste kenmerk van dit verraad: het feit dat imago en werkelijkheid koelbloedig waren losgekoppeld. Wat mijn leeftijdsgenoten achter de schermen uitspookten had niets te maken met wat ze naar buiten toe met de mond beleden.
Ja, van sommige graaiers, stinkers en slapers diende je zelfs te geloven dat ze tot op de dag van heden de ideeën van de jaren zestig trouw waren gebleven. Zich gedragen als de oude generatie en hun gedrag presenteren als iets nieuws, daar hadden ze handigheid in.

Deze tweedeling schijn versus wezen zou ook op andere terreinen allesbeheersend worden — in de politiek, de literatuur, het sociale gedrag, de economie. Schijn en wezen. Imago en werkelijkheid. Reclame en product. Boodschap en inhoud. Wat je zegt en wat je denkt. Bluf en sintels

Video II

Ik zou niet kunnen zeggen of de drang naar verraad die mijn generatiegenoten dreef de populariteit van de tweedeling in de hand heeft gewerkt, of dat de opsplitsing een filosofische mode was die hun verraad — steeds meer verraad — op ideale wijze legitimeerde. Daarvoor vallen de begrippen jaren zestig en verraad te veel samen.

Er zit iets ontluisterends aan mijn generatie. Verraad moet blijkbaar inherent zijn geweest aan hun ideeëngoed, het zat ingebakken in de voorstellingen en utopieën die ze erop na hielden of het vormde het genetisch materiaal van de dragers zelf van deze ideeën.

Een unieke combinatie van sociale achtergrond en opkomende welvaart kan hebben gezorgd voor de merkwaardige mengeling van fanatisme en gemakzucht die eigen bleek aan mijn leeftijdgenoten. Jongens en meisjes uit opwaarts strevende gezinnen die nu veel gemakkelijker konden krijgen waar eerdere generaties voor hadden moeten zwoegen, in een verstarde maatschappij waarin autoriteit het mikpunt was maar toch nog zeer in trek — zoiets moest wel eindigen in een feestbanket voor profiteurs, overlopers, hypocrieten, maniakken en dictatortjes.

Waaruit bestond de bijdrage van de generatie van 1968? De autoriteit als drijvende factor werd benoemd en geïsoleerd. De rol van intellectuelen werd heruitgevonden. Twee ontdekkingen die een slappe reprise vormden van de ouwe revolutiegeschiedenis, maar dat valt jongens en meisjes van twintig niet kwalijk te nemen. Er werden wel meer reprises opgevoerd in de provo- en hippiebeweging, alleen dit keer bleken humus en omstandigheden fataal.

“A small step for man, but a giant step for mankind.” Een beroemde leus uit de tijd dat mijn leeftijdgenoten al achter het stuur en op de zetels zaten. De giant step is uitgebleven, althans in voorwaartse richting.

De linkse idealen waren dé idealen tout court geworden. Rechts bestond niet langer, en dat vond rechts zelf eigenlijk ook een beetje. Rechts waren nog fossiele mannetjes met een kippenborst vol decoraties, taptoemannetjes die onveranderlijk poseerden tussen vlaggenstandaarden en herdershonden.

Van het eerste begin beseften mijn tijdgenoten de waarde van typering, stigmatisering, beeldvorming en demonisering. Reclamejongens, journalisten, cabaretiers, copywriters, dichters — ze waren allemaal van de nieuwe tijd. Linkse mollen en vergadermachines die naar een functie haakten konden rekenen op een kordon van publicitaire goodwill. Want dat was onmiddellijk begonnen: het binnenkruipen in de staatsmachine, het overnemen van de lucratieve banen, het bezetten van machtsposities, het verjagen van de oude wolven om plaats te maken voor de nieuwe wolven. Het valt niet te ontkennen dat de provo’s en revolutionairen enige details hebben gewijzigd in het lot van de vrouw, het uitgaansleven en de filmcensuur.

Bij details bleef het, bij schijnverbeteringen. Hun meest geslaagde imago-stunt is misschien dat we zijn gaan geloven in details, dat we hun schijnverbeteringen nog steeds voor verbeteringen aanzien en geacht worden ui- terst ongeïnteresseerd te zijn in de grote lijnen. Grote lijnen werden met succes verdacht gemaakt. Bijzaken en cosmetica werden alles. En juist in de grote lijnen, het kan geen verbazing wekken, lag hun grote zwakte. Tussen verraders ben ik ouder geworden, tussen misdadigers. Iedereen mocht over alles meepraten — democratisering, nietwaar, inspraak. In feite wist meestal niemand van niets. Er werd door een meerderheid nee gezegd en verderop gebeurde het toch. Er werden risico’s voorspeld en eigenlijk was het al beslist. Er werd geëvalueerd over besluiten waarvan men in de achterkamer al wist dat ze nooit genomen zouden worden. De schijndemocratie was zo verpletterend aanwezig dat niemand begreep dat de echte democratie was afgeschaft.
Dankzij mijn geliefde jaargenoten leven we nu in een nominale democratie — we noemen het democratie, dus het is er eentje.

Video III

De baasjes uit de jaren zestig bleken in staat alles te verkopen als een succes van de jaren zestig. Ook nog toen het knap laat was.
Privacy, om een tweede grote lijn te noemen. Wat hadden de jonge revolutionairen daar de mond vol van! De autoritaire kapitalisten, de elitaire superelite en het militaire complex waren op niets anders uit dan op onze persoonsgegevens. Identiteitsbewijzen, volkstellingen, gegevenskoppelingen — de achtenzestigers reageerden er zo gebeten op als een poedel op een ratelslang. Nu zijn ze dertig jaar aan de macht geweest — eerst een beetje, toen een beetje meer, toen totaal — en de privacykwestie is zonder commentaar door de achterdeur afgevoerd. Ze zijn in staat strak te ontkennen dat ze zich daar ooit druk over maakten. De zotste gegevens zijn inmiddels aan elkaar en aan god-weet-wat gekoppeld, iedereen kan tot in alle uithoeken worden gecontroleerd en gescand — het bleek geen woord van discussie meer waard. Zo werd een van de lakmoesproeven van de individuele vrijheid prijsgegeven door hen die beweerden zich grote zorgen te maken toen ze er zelf nog de dupe van konden worden. Voor de machtshonger en systeemzucht van mijn generatiegenoten is de uitvinding van de terrorist een uitkomst geweest. De laatste controleremmen zijn nu los. Het totalitaire virus maakt zich sterk in ons, van binnenuit. Maar gelukkig — we noemen het niet zo.

Ook nu werkt de mechanische tweedeling van een vroom beleden ideaal en nietszeggende woorden (aanval op de beschaving, gevaar voor de democratie) perfect. We turen ons als altijd blind op bijverschijnsel en zijproduct en laten wind en kabouters zorgen voor de grote lijn. Bewustmakingsprocessen werden een doel op zichzelf. Je hoort aan bewustmaking te doen en het dondert niet waarvan. Ons geloof in de verpakking is een tweede natuur geworden. Ons werd in de jaren zeventig en tachtig vaak voorgespiegeld dat we tien keer een centimeter vooruitgingen.
Achter de schermen waren we telkens een kilometer achteruitgegaan.

Wat is er met grote maatschappelijke verschijnselen als seksualiteit en geloof gebeurd? Waar hebben de ideeën van de achtenzestigers toe geleid, toen ze eenmaal hun eerste praktische stappen als bestuurders mochten zetten? Dat het een rotzooi is geworden is nog het zachtaardigste wat we ervan kunnen zeggen. Gezellig en “leuk” dienden seksualiteit en geloof te worden, zonder vaders en priesters, zonder het walgelijk gezag. Onze bestuurders draaiden bij toen de seksualiteit bleef weigeren zich als leuk en gezellig te ontpoppen (en toen ze zelf de leeftijd van impotentie en prostaatkanker voelden naderen) — toen moest de zweep er weer over. Niet omdat ze zich hadden vergist, natuurlijk. Goddank doken bijtijds de nodige bliksemafleiders op. Aids, de pedofiel. De pedofiel — dat heette bij mij op school gewoon de godsdienstleraar.

Godsdienst. Ach ja, godsdienst. Elke sekte en elke reliidioot moest kunnen, dus waarom de officiële godsdienst niet? Terwijl het geloof met zijn martelingen, rituelen en tempels verdween, nam het aantal gelovige tuinkabouters toe. Wat resteert is de zelfzuchtige overtuiging dat religie er louter is voor de gezelligheid en het welbehagen.

De onbesuisde lancering van de halfbakken ideeën van mijn generatie leidde er uiteindelijk toe dat we leven in een wereld die verkrampt omgaat met seksualiteit en geloof. Iets krampachtigers dan gezelligheid is er wel niet. We maken iedere dag de gevolgen mee. We zien veel luchtboksers in doodlopende stegen. Het vermaan van de zedenmeesters waait ons tegemoet of het blije en onschuld veinzende, maar intussen opdringerige gewauwel van de ietsisten. We zijn in de val gelopen van het verraad van individuen die voor zichzelf eisten wat ze anderen niet wilden of konden toestaan. Vrijheid, zelfbestemming. Vooral hadden ze nooit nagedacht over de betekenis van begrippen als vrijheid en zelfbestemming.

Soms, voor al mijn leeftijdgenoten die zich na ’68 — eerst schoorvoetend en al snel vol overgave — de politiek en het maatschappelijk leven hebben binnengedrongen, wou je dat de hel nog bestond. Met gloeiende poken en brandende fakkels en al.

Het onderwijs. Welke ravage werd daar aangericht! Ravage als genadeklap. Genoeg is daar al over gezeurd. De vernietiging lijkt onomkeerbaar zolang niet de laatste hoopvolle ’68’er van de aardbodem is verdwenen. Ik wijs alleen nog — eventjes dan — op de uitwerking die het heeft gehad op hoe we met geschiedenis en literaire tradities omgaan, ik wijs er alleen nog op dat het mijn generatie was die, op de universiteiten en in het bedrijfsleven, begon met het vervangen van Nederlands door Engels. Ze hadden er de schoonklinkendste excuses voor.

Ook voor wat er met het milieu en het landschap gebeurde hoeven we alleen onze ogen open te doen. We leven te midden van het verpletterende bewijs dat er een generatie aan misdaad en onverschilligheid heeft huisgehouden. Slopers en architecten werden bloedbroeders onder hoog protectoraat van de politiek. Ook in dit geval zorgden de idealen van mijn generatiegenoten voor de holle legitimatie. Sterf, oude waarden. Weg met het elitair verleden.

Ik heb het nu gehad over grote lijnen als democratie, privacy, seksualiteit, feminisme, geloof, onderwijs, milieu en esthetiek van de omgeving. De echte stille revolutie is de uitlevering aan de commercie geweest. Mijn ambitieuze bestuurdertjes werden snel ook zelf verdienertjes en subsidieslorpers. Op zeker moment hadden ze de verdeling van de staatsfinanciën geregeld, dat wil zeggen een klein beetje voor de schaamlap van cultuur en milieu — beide in de vorm van aangeharkte reservaatjes — en het leeuwendeel voor hun eigen raderwerk. Ze konden dus wel begrip opbrengen voor andere verdienertjes. Pooiers waren ze nog net niet, al ken ik oude kameraden van mijn leeftijd die met 06-nummers een aardig kapitaaltje hebben bijeengeschraapt. Nieuwe tijden, nieuwe mogelijkheden.

Video IV

Het waren vooral de media die het huwelijk tussen mijn vrienden en het neo-kapitalisme hebben beklonken. De media lagen open, daar konden ze hun lusten vrijelijk botvieren. Als iets een spiegel vormt van het ware gezicht van ’68 is het de televisie.De ontwikkeling van treurbuis tot terreurbuis — een intiem samenspel van slimme handelaren en politici is het geweest. De legitimatie?
Het dogma van de inspraak. De doctrine van de gewone man.
Kijk.
Er zit een massa mensen voor de televisie. Denk eens in hoe de handelaren in amusement en onnutte producten zich al die jaren het hoofd braken hoe die massa te gelde te maken. Ze droomden haast even nerveus als de nagellakfabrikant die aan alle vingers in China denkt.
Die massa zit voor het ding, het ding geeft licht en geluid — dat betekent nog niet dat er een geldstroom tussen beide bestaat. Eigenlijk heeft dat stomme gebeuren niets met geld te maken. Het ding straalt en flikkert gratis, het kan bedelen wat het wil, maar als de massa zich roerloos houdt beschikt het niet over sancties. Iets ergert de handelaren meer dan wat ook — het ding heeft geen gleuf.

Jarenlang bleef de situatie voortduren van een dood ding dat naar een dood ding keek. De lucht tussen het heilige kijkaltaar en de massa was dik van het apegapen en de passiviteit. Er is een enorme dynamiek op gang gekomen tussen de twee, met geld als drijfveer. Aan mijn generatie de eer van dit mirakel, het mirakel om de geldstroom tussen televisie en publiek op gang gekregen te hebben. Men moest er heel wat leugens voor verzinnen. Elke verdenking van een verband tussen publieke omroep en permanente educatie (een oud stokpaardje van de revolutie) moest worden uitgewist. Bij niets waren politici en bestuurders zo behulpzaam als bij het verdacht maken van enige creatieve, speelse of educatieve opdracht voor onze essentiële communicatiekanalen. De kanalen zijn nu voorgoed verstopt — uitgeleverd, verpatst en versjacherd aan de kermisbazen. Joop van den Ende kreeg een koningskroontje van de bestuurders. Of je een hoop stront verguldt.

De ontwikkeling van treurbuis tot terreurbuis is exemplarisch voor het verraad en het verraderlijk nasudderen van mijn generatie. Bij niets ook waren de intellectuelen van ’68 zo behulpzaam. Hun theorieën over hoge en lage cultuur, begonnen om de studie van populaire lectuur en massavermaak op te waarderen en uit het moeras van het folklorisme op te tillen tot de grote hoogte van de sociale wetenschap, kwamen plotseling goed van pas. De politiek speelde maar al te graag leentjebuur bij de vage prietpraat van veel jarenzestig- wetenschap. Eerst was daar de mooie vondst om het woord opportunisme te vervangen door pragmatisme.

Toen kwam de verklaring dat het onderscheid tussen rechts en links was weggevallen: het werd zo snel mogelijk door de politici omhelsd. Gewoon, omdat het ze goed uitkwam. Maar het allermooiste bleek toch wel de stelling dat de grens tussen hoog en laag vervaagd was. Sommige bestuurders maakten er meteen een gelijkstelling van hoog met laag van. Gewoon, omdat het ze goed uitkwam en omdat er veel aan te verdienen viel. De grote leugen van de gelijkwaardigheid tussen hoge en lage cultuur heeft er enkel voor gezorgd dat in de bokswedstrijd tussen cultuur en entertainment het grofste entertainment heeft gezegevierd.

Mijn generatie wordt bedankt. Ze begeleidde niet alleen de uitverkoop van de laatste resten beschaving, ze schafte ook de idee af dat het wenselijk zou zijn beschaving bij te brengen. Ze voerde daarvoor een stille campagne, want inmiddels was ze belanghebbende geworden. Een campagne waarin woorden als “elitair” belachelijk werden gemaakt. Het lukte, niet in de laatste plaats doordat de intellectuelen, de partijfilosofen en de sociologisch getinte denktanks (eerder naaldenkokers dan tanks) zo hartelijk meededen.

Ik heb ze destijds op de barricaden zien staan, met gebalde vuist en een onwezenlijke glans in hun ogen. Ik heb ze vervolgens zien kruipen en horen ritselen. Ik heb begrepen wat hun ogen destijds zagen. Een vette, burgerlijke toekomst voor zichzelf, zonder te veel hinderlijke hoge cultuur. Een zalige toekomst van grijpen en ingrijpen, en van verder almaar lui vergaderen over een eeuwigdurend niks.

Ouder worden kent weinig verrassingen. Het was zeker een verrassing toen ik voor het eerst op straat werd berispt door een politieagent die jonger was dan ik. Daarna werden ook mijn dokter, notaris en advocaat jonger. De moeder al dezer verrassingen — nu, die stond op toen er ineens een generatiegenoot van me president van Amerika bleek. Een schok van jewelste. Vanzelfsprekend was het een president die veel van entertainment hield, die nog veel meer zijn studentenpraatjes had onthouden omdat ze zo handzaam de armoe van zijn ideeën verdonkeremaanden en die tot in de Oval Office zijn seksuele bevrijding had meegesleept. Pijpen op kantoor, dat moest kunnen. Thans verzamelt hij voorschotten van mediatycoons. Een kind van zijn tijd, een schat van een verrader.

De mantra’s van mei 1968 zijn nog altijd niet uitgewerkt. Alleen door mei 1968 valt het te verklaren dat ze in Nederland Pim Fortuyn aanzagen voor iemand die de augiasstal van de politiek wel eens zou schoonmaken. In feite was hij een jaren-zestigtype, een rasechte vertegenwoordiger van het quasi-marxisme, een reële leeftijdgenoot van me, een voorbeeldige verrader. Hij suggereerde dat hij een kritische nieuwkomer was in ons al te gestructureerde en verfijnde netwerk van afhankelijkheden, afkoopsubsidies, controlegekte en bureaucratie. Met zijn halve talenten en entertainmentgehalte was hij er juist het resultaat van. Hij kon voortreffelijk acteren, als alle omhooggevallen jongens uit de revolutietijd — of hij het rebelse nog in de vingers had. Het was niet eens een truc, het was routine. Intussen rekende hij zich de macht al toe. Hij zou bereid zijn geweest tot elk compromis, tot elk verraad, als hij maar eenmaal met macht was bekleed. Om die macht te bereiken voerde hij via de media een fake-vertoning op — dertig jaar verraad in versnelde opvoering. De verslaggevers volgden als hondjes. Hij beheerste de listen en arglistigheden van degenen bij wie hij straks in bed zou kruipen al volkomen. Als hij was blijven leven zou hij door de bestaande officials als een verloren zoon zijn binnengehaald.

Mijn hele generatie is met bluf en handigheid aan de macht gekomen. Al mijn leeftijdgenoten die na ’68 de politiek en het maatschappelijk leven in gingen behoor- den al bij voorbaat tot de aangepasten. Aanvankelijk vond je het charmant dat ze de politiek in stapten, het waren overwinninkjes voor de beweging, small steps. Langzaam maar zeker zou deze voorhoede namens ons allen de boze wereld leren hoe het werkelijk moest.

Video V

De verbeelding aan de macht. De mars door de instituten.
Een frisse wind, een nieuw geluid.
Idealisten moeten altijd inbinden. Geen mens kan voor zijn zwakheden vluchten. Toch is verraad in dit geval geen te groot woord. Mijn generatiegenoten zijn niet alleen gestuit op praktische bezwaren en op de logheid van het systeem, ze werkten ook gericht en enthousiast mee om de scheidslijn te handhaven en zelfs te versterken tussen machthebbers en sukkels, om de democratie te ondermijnen en de financiën tot afgod te verklaren.

Ze bleken kameleons in de hardnekkigste en irritantste zin van het woord. Eerst namen ze kleur aan van de tegenstander en de oude vijand, vervolgens bleven ze voorwenden of ze nog altijd gehuld gingen in de kleur van de revolutionairen die ze ooit zelf waren of waar ze voor werden aangezien.
Vanzelf dragen ze niet overal de schuld van. Invloeden van buitenaf, de onstuitbare golven van de geschiedenis, stomme toevalligheden en catastrofes, ze waren er — maar veel te vaak knikten ze instemmend, sloten ze de ogen, sprong hun hart op van heimelijke vreugde, gaven ze toe aan hun reactionaire innerlijk, aan de geest van hun vaders — veel te vaak kraaide de haan. Als er al iets langs de meetlat van hun jeugdidealen werd gelegd dan gebeurde dat louter verbaal. De eigen oorsprong werd gretig als dekmantel misbruikt. Niets van hun aanvankelijke elan zagen we terug in hun daden. Onze revolutionairen — mijn kroeg- en studie- en dansgenoten van toen, de objecten nota bene van mijn seksuele dromen — werden tevreden regenten, dik tevreden meestal.

De speelse kant van ’68 (toen nog “ludiek” genaamd) ging al snel kopje-onder of ontaardde in de leutigheid van alles kan en alles is meegenomen. Zij die niet wilden meedoen (en trouw bleven aan de oorspronkelijke geest) werden als mislukkelingen beschouwd en de ware mislukkelingen nestelden zich op de troon. Heeft iemand gezegd dat de geschiedenis rechtvaardig was? Er is nu een revival van de jaren zestig gaande. Het is weerzinwekkend. Dat die revival slechts een onherkenbare hutspot is — net als alle historische terugblikken en de muzikale geschiedschrijving die ze op de tv samenflansen — is op zich al een “verworvenheid” van de jaren zestig. De geschiedvervalsing is al een tijd geleden begonnen, omdat de geschiedenis door Joop van den Endes wordt geschreven.

De jaren zestig werd een product.Welbeschouwd is het altijd een product geweest.Goed afgeschermd door de hoofdschuldigen, afgeschermd tegen iedereen die er met een vermanende vinger naar durfde te wijzen. Met al mijn tien vingers wijs ik. Ik voel me door mijn generatiegenoten verraden. Ik ben opgegroeid tussen een generatie verraders. Ik maak deel uit van een generatie die, voor het eerst in eeuwen, de wereld lelijker achterlaat dan ze haar heeft aangetroffen. Niets van allure, niets van stijl, niets van een groot gebaar bracht ze tot stand.

Dit leek hier en daar een klaagzang. Klaagliederen aanheffen ligt niet in mijn aard. Het was dan ook maar het verslag van een nachtmerrie, geen wetenschappelijk verhaal. Het verslag van een nachtmerrie die eens als een droom begon.