De Koran getoetst aan de Westerse beschaving en Rechtsorde

By • on November 2, 2009

Door M.S.H. Frankenvrij

Het wordt de hoogste tijd dat wij in Nederland en West-Europa de achtergronden van de Islam en inhoud en strekking van de Koran serieus gaan nemen. Alleen dán kunnen we de vragen rondom de, soms gebrekkige, integratie van islamitische immigranten het hoofd bieden, aldus Frankenvrij. De auteur schetst in dit artikel de ontstaansgeschiedenis van de Koran in vergelijking met die van de Tenach en Bijbel. Bovendien wordt gekeken hoe de Koran zich tot de westerse rechtsorde verhoudt.

De problematiek van de gebrekkige integratie in de Nederlandse en West-Europese samenleving van islamitische immigranten (Turken, Marokkanen, Algerijnen, Pakistanen, e.d.) sleept zich, zoals bekend, inmiddels al vele jaren voort.[1] Er vindt tevens al jarenlang een moeizame discussie plaats tussen de Europese Unie (EU) en het islamitische Turkije over een eventuele aansluiting van dit laatste land. Turkije heeft zich, na de omwenteling in 1922 onder leiding van Kemal Atatürk, tot doel gesteld om een seculiere democratie naar westers model te worden — maar kan na ruim tachtig jaar nog steeds niet voldoen aan de bijbehorende normen, met name wat betreft het respecteren van de mensenrechten.[2]

Overbekend zijn intussen de terreurdaden die onophoudelijk en wereldwijd — ook in West-Europa en Nederland — bedreven worden door fundamentalistische islamieten en waarbij in de regel niets vermoedende passanten — soms massaal — om het leven worden gebracht; denk aan New York, Jerusalem en andere Israëlische steden, aan Bali, Moskou, Madrid, Mumbai, Londen, Amsterdam.

Daarom is het onderhand zeer dringend geboden dat de Nederlanders én West-Europeanen zich persoonlijk grondig en direct, op de hoogte stellen van de achtergronden van de islam en met name de inhoud van het geschrift dat de grondslag van die religie vormt: de Koran.

Wij moeten ons hoognodig de fundamentele feiten eigen maken die bij de voornoemde problemen een essentiële rol spelen. Dat is overigens niet zo moeilijk. Van de Koran zijn vertalingen beschikbaar, ook in het Nederlands. De mijne, inmiddels ruim 20 jaar in mijn bezit, is van de hand van J.H. Kramers, wijlen hoogleraar Arabisch te Leiden, en is door deze van een informatieve inleiding voorzien.[3] De navolgende citaten uit de Koran zijn eraan ontleend.

In de verhandeling worden in kort bestek de inhoud en strekking, ontstaansgeschiedenis en literaire kwaliteiten van de Koran geschetst, in vergelijking met die van de Bijbel, grondslag van het joodse en van het christelijke geloof en één van de pijlers van onze westerse beschaving.[4] De verschillen tussen de Koran en de Bijbel zijn, zo zal blijken, zeer groot. Beide propageren het geloof in één God — doch schetsen zij van deze God een geheel verschillend beeld. Bijgevolg wordt aan de islamieten ondermeer een volstrekt andere wijze van omgaan met andersdenkenden voorgeschreven dan voor joden en christenen geldt.

Ook de verhouding tussen de Koran en onze rechtsorde wordt in het navolgende behandeld. Die blijkt uiterst problemastisch te zijn. Desalniettemin hebben wij inmiddels miljoenen Islamitische immigranten toegelaten tot onze (Nederlandse en West-Europese) samenleving. Daarin zijn circa anderhalf eeuw geleden de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van godsdienst tot uitgangspunten genomen. Daarbij werd echter eigenlijk alleen en met name rekening gehouden met de diverse vormen van de christelijke een joodse religie. Dit leidt thans tot de klemmende vraag; is een vreedzame coëxistentie ofwel accomodatie mogelijk, op dezelfde wijze, tussen de islamitische immigranten — die hun godsdienstige opvattingen baseren op de Koran — en onze westerse samenleving en cultuur die gedurende een lange reeks van eeuwen zijn gevormd door de joods-christelijke traditie? Hier wordt tot slot op ingegaan.

1 | Inhoud en strekking van de Koran

De Koran is evenals de Bijbel een religieus boek waarin het monotheïsme wordt beleden en gepropageerd, het geloof in één God die het heelal heeft geschapen en die ieder mens persoonlijk ter verantwoording zal roepen (bij het laatste oordeel) voor de wijze waarop hij met Gods gaven is omgegaan. De eerste Soera (hoofdstuk) van de Koran bevat een gebed waarin eer wordt bewezen aan Allah (de enige en eeuwige God) en om diens bijstand gesmeekt. Dit gebed is qua lengte en wijze van formulering vergelijkbaar met het christelijke Onze Vader (Mattheüs 7,9-13) en doet qua thematiek mede denken aan de eerste Psalm (“het pad van de bozen breekt af”).

De verschillen tussen Koran en Bijbel zijn echter zeer groot. De Koran valt qua inhoud, beoordeeld tegen de achtergrond van onze westerse en joods-christelijke beschaving, te karakteriseren als: primitief, ongenuanceerd, onverdraagzaam, agressief en haatdragend met name jegens andersdenkenden. De Koran zet zelfs openlijk tot gewelddaden (inclusief moord en doodslag) aan.

Ik zal deze karakterisering — die in eerste instantie rauw uit de lucht zal komen vallen — in het vervolg onderbouwen en verklaren. Doch laat ik ter eerste staving hiervan, meteen enkele citaten uit de Koran geven:

“Voor de ongelovigen heeft Allah een ontzaglijke en vernederende bestraffing weggelegd” (o.a. Soera 2,7, Soera 2,90, Soera 2,114, Soera 3,178, Soera 4,151.).

“Wij [sic] zullen de ongelovigen braden in een vuur waarbij telkens hun huid, wanneer die gebakken is, zal worden vervangen door een andere opdat zij een ware bestraffing smaken”
(Soera 4,56).[5]

“Bestrijdt op de weg Allah’s hen die u bestrijden en doodt hen waar gij hen aantreft en verdrijft hen vanwaar zij u hebben verdreven, totdat er geen beproeving meer is en de godsdienst aan Allah behoort”
(Soera 2,190-193).

“Wanneer gij lieden dus een ontmoeting hebt met de ongelovigen, houwt dan in op de nekken, en wanneer gij onder hen een bloedbad hebt aangericht, bindt hen dan in de boeien”
(Soera 47,4). `

“Versaagt niet in uw begeerte de vijand te zoeken” (Soera 4,104). “Strijdt tegen de ongelovigen; Allah zal hen straffen door uw handen en hen vernederen, en Hij zal u hulp verlenen tegen hen” (Soera 9,14).

“Wie strijdt op de weg Allah’s en dan gedood wordt of overwint, die zullen Wij een ontzaglijk loon geven”
(Soera 4,74).

“O gij, Joden aan wie de schrift gegeven is, gelooft aan wat Wij [sic] hebben neergezonden vóórdat Wij [sic] uw gezichten wegvagen en ze weer plaatsen op hun achterzijde, of dat Wij [sic] u, lieden van de Sabbath, vervloeken”
(Soera 4,47).

“De Joden zijn het hevigst der mensen in vijandschap jegens hen die geloven” (Soera 5,82).

“Vermaant de vrouwen van wie gij opstandigheid vreest en vermijd haar op rustplaatsen en slaat haar, totdat zij u gehoorzaam worden” (Soera 4,34).

“Houwt van de dief en de dievegge de handen af ter vergelding van wat zij verdiend hebben, als een voorbeeld van kastijding voor Allah” (Soera 5,38).

“Geselt zowel de overspelige vrouw als de overspelige man met honderd geselslagen” (Soera 24,2).

Hiervóór zijn slechts een twintigtal “haat-en geweld”-verzen weergegeven uit het (begin van) de Koran, die in totaal zo’n 6200 verzen telt. Dergelijke verzen komen honderden keren in de Koran voor, dus gemiddeld eens per 40-50 verzen, en moeten dehalve bij vrijwel elke (voor)lezing uit de Koran — bijvoorbeeld vrijdags in de moskee — aan bod komen. De inhoud ervan wordt met andere woorden zeer nadrukkelijk aan de islamieten ingeprent.[6]

2 | De Koran versus de Nederlandse rechtsorde

De Koran wekt in de naam van Allah de “ware gelovigen” (de islamieten) op tot haat jegens-, en tot doodslag en moord op en het voeren van oorlog tegen “de ongelovigen” (met name ook de joden)[7] en tot het mishandelen en verminken van ongehoorzame vrouwen, echtbrekers, dieven, etc. Het verspreiden of daartoe ten gehore brengen van de inhoud daarvan is, volgens allang bestaande wetgeving, een misdrijf (“discriminatie” en opruiïng): zie art.137e en 132 van het Wetboek van Strafrecht.

De Koran roept dus op tot daden die bij ons op zijn hoogst aan de overheid zijn voorbehouden doch die wij voor de individuele burgers volstrekt taboe achten. De Koran gaat dus lijnrecht in tegen onze staatsinrichting want kent geen scheiding tussen kerk en staat, tussen particuliere geloofsbeleving en publiek optreden, ja, accepteert dit onderscheid zelfs niet.[8]

Ook onze overheid is trouwens al geruime tijd geleden gaan afzien van het uitdelen van lijfstraffen (zoals geseling en brandmerken, afgeschaft in 1854) en van de doodstraf (afgeschaft in 1870). Het voornaamste argument hierbij was dat deze straffen in strijd zijn met de geest van het christendom. In islamitische landen komt de doodstraf echter nog steeds voor, en is daar als straf gesteld op ondermeer godslastering.[9]

De voornoemde ontwikkeling van ons strafrecht wordt dus ook door de Koran volstrekt genegeerd. De daarin voorkomende oproep bijvoorbeeld om van een dief zonder meer de handen af te hakken, stelt niet alleen aan diefstal een barbaarse bestraffing in het vooruitzicht, maar is ook volstrekt primitief in de zin dat er geen enkel onderscheid wordt gemaakt op grond van wat en onder welke omstandigheden er gestolen is. Dit staat niet alleen in schrille tegenstelling tot onze hedendaagse strafrechtspraktijk, maar ook tot casuïstische en veel mildere wijze (zie Exodus 21,37-22,12) waarop diefstal al werd bejegend in de Joodse Torah (Wet, onderdeel van de Tenach die door de christenen het “Oude Testament” wordt genoemd).

3 | Inhoud en strekking van het Nieuwe Testament

Het christelijke Nieuwe Testament maakt daarentegen wél onderscheid tussen kerk en staat, getuige de uitspraken als “Geeft aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt” (Mattheüs 26,52). “Jezus zei to Pilatus: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Want anders zouden mijn dienaren er wel voor gestreden hebben dat ik niet aan de Joden werd uitgeleverd’” (Johannes 18,36). “Iedere mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die boven hem staan. Want het gezeg is door God ingesteld en het draagt het zwaard niet voor niets, namelijk om aan de boosdoener de rechtvaardige straf te voltrekken” (Paulus’ brief aan de Romeinen 13,1-4).

Het Nieuwe Testament predikt ook een boodschap van zachtheid, liefde, vergevingsgezindheid, vreedzaamheid, nederigheid, zelfverloochening, verzaking van het aardse.[10] Zie bijvoorbeeld: “Als iemand u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de andere toe” (Mattheüs 5,3). “Als uw vijand honger heeft, geeft hem te eten, en als hij dorst heeft, geeft hem te drinken” (Paulus; brief aan de Romeinen 12,20). “Gij zult uw medemens beminnen als uzelf” (Mattheüs 22,38). “Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen” (Luucas 6,31). “Al wie zichzelf verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernederd zal verheven worden” (Mattheus 23,12). “Wie niet wordt gelijk de kleine kinderen, zal het Rijk der hemelen zeker niet binnegaan” (Mattheüs 18,3). “De eersten zullen de laatsten, de laatsten zullen de eerste zijn” (Mattheüs 20,16). “Voor een rijke is het moeilijker om in het Koninkrijk Gods te komen dan voor een kameel om door het oog van de naald te gaan” (Mattheüs 19,24). “Toen brachten de schriftgeleerden der Farizeeën een vrouw die op overspel was betrapt, bij Jezus, wezen hem op de wet van Mozes die beval om zulke vrouwen te stenigen, en vroegen hem wat er moest gebeuren; en Jezus zei tot hen: ‘Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen’” (Johannes 8,1-8). “Nadat zij hem aan het kruis geslagen hadden, zei Jezus: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lucas 23,34).

Niccoló Machiavelli (1469-1527) heeft het Christendom daarom zelfs verweten dat het de westerse wereld kwetsbaar heeft gemaakt en heeft uitgeleverd aan schurken.[11] Hij heeft daarmee pregnant tot uitdrukking gebracht dat de christelijke nederigheids- en opofferings moraal, die hiervóór kort is weergegeven, weliswaar geschikt is voor persoonlijke vervolmaking, doch weleens nutteloos en zelfs ondermijnend kan zijn wanneer zij als grondslag voor de ordening van maatschappij en staat wordt gebruikt.[12] Voorheen, toen de dienstplicht in Nederland nog daadwerkelijk betekenis had, werd elke christelijke dienstplichtige man persoonlijk voor dit dilemma gesteld, want diende hij de vraag te beantwoorden of hij de voorschriften van zijn geloof zou laten prevaleren (en dus een beroep op gewetensbezwaren zou doen) danwel de noodzaak tot verdediging van de rechtsorde in Nederland en in de wereld.

4 | Ontstaansgeschiedenis en structuur van Koran en Bijbel

De tekst van de Koran is vastgesteld en gecanoniseerd binnen relatief korte tijd — slechts enkele tientallen jaren — na het leven van zijn boodschapper Mohammed (ca. 570-632). Die werd in 611 geïnspireerd om zijn versie van het monotheïsme te propageren en overheersend te maken op het Arabisch schiereiland, waar de joden toen een groot aantal kolonies gevestigd hadden en het Christendom in niet onbelangrijke mate ingang had gevonden, doch waar overigens nog grotendeels een heidens veelgodengeloof werd aangehangen.[13] De Koran kent slechts één auteur, of beter gezegd, bron: Mohammed, en is in feite geredigeerd als één lange monoloog waarin zijn leer wordt uiteengezet.

Ook dit staat in schril contrast met de joods-christelijke Bijbel die bestaat uit de joodse Tenach (het Oude Testsment) en het christelijke Nieuwe Testament. De teksten daarvan zijn afkomstig van vele bronnen zoals Mozes, David, joodse profeten als Elias, Jesaja, joodse geschiedschrijvers, Jezus, Paulus, andere apostelen. De Bijbel bevat vele, en levendige, discussies en dialogen. De Bijbelse teksten zijn opgeteklend na een langdurige, soms eeuwenlange mondelinge overlevering, en vervolgens is er eeuwenlang door bewerkers aan de teksten gewerkt en geschaafd. Aan de beslissing welke geschriften wél en welke niet in de Bijbel opgenomen dienden te worden zijn uitgebreide kritische discussies en kerkvergaderingen gewijd geweest.

De historische gebeutenissen die in de Bijbel beschreven worden strekken zich dan ook uit over vele eeuwen, van ca. 1330 voor Christus — volgens Sigmund Freud het tijdstip van de uittocht der joden uit Egypte onder leiding van Mozes,[14] beschreven in het boek Exodus — tot ca. 100 na Christus (totstandkoming van de Apokalyps van Johannes). De Bijbel is ook zeer duidelijk gestructureerd én pluriform. Zij bestaat uit circa 80 onderdelen, van het boek Genesis tot en met de Apokalyps van Johannes, die grotendeels chronologisch en overigens thematisch zijn gegroepeerd en waarvan elk een eigen onderwerp en thema heeft dat op literair en retorisch verantwoorde wijze is opgebouwd en uitgewerkt. Een beroemd voorbeeld is de bergrede van Jezus, die zich uitstrekt over de hoofdstukken 5-7 van het evangelie van Mattheus. Het Oude Testament kent naast het strenge, wettische en patriottische proza van een boek als Deuteronomium, bijvoorbeeld de met twijfels en angsten doorweven lyrische poëzie van het boek der Psalmen. Naast kleur- en beeldrijke levensbeschrijvingen van Jezus in de Evangeliën, bevat het Nieuwe Testament bijvoorbeeld de vermanende en praktische, op organisatie van de christengemeentes gerichte brieven van Paulus en de bizarre Apokalyps van Johannes, bedoeld ter bemoediging van deze gemeentes onder de vervolgingen door Romeinse keizers.

De Koran bestaat daarentegen uit 114 Soera’s (hoofdstukken) die — afgezien van de eerste — louter in volgorde van afnemende lengte zijn opgenomen: De langste Soera — nr.2 — telt 286 verzen, de Soera’s 94-114 zijn elk minder dan 10 regels lang. Aldus wordt ook geheel voorbijgegaan aan de chronologie van het ontstan van deze Soera’s: De eerste aan Mohammed geopenbaarde en door hem verkondigde verzen komen bijvoorbeeld pas voor in Soera 96,1-5. Aan de uitspraken in de Koran ontbreekt bovendien — geheel anders dan in de Bijbel het geval is — elk historisch kader (in de trant: “Toen en daar zei Mohammed to die en die:…”), met bijbehorende structurerende en relativerende uitwerking. De inhoud van de Koran is — zoals ook duidelijk uit de citaten blijkt — geformuleerd in de directe rede en gebiedende wijs en in de tegenwoordige tijd, alsof Allah zelf voortdurend aan het woord is.

Dit dient ter (be)vestiging van de pretentie dat de Koran letterlijk het onveranderlijke en onfeilbare woord van Allah zou weergeven dat aan- en direct tot, de islamieten van alle tijden en plaatsen — met Mohammed als eerste — wordt uitgesproken. Aldus is geheel aan het oog onttrokken dat de Koran de persoonlijke opvattingen en ervaringen van Mohammed weergeeft, en dat het godsbeeld dat in de Koran wordt gepropageerd wel eens zeer menselijke trekken zou kunnen vertonen die tot Mohammed zijn terug te voeren.[15] Hierbij valt met name te denken aan de reeds gesignaleerde onverdraagzaamheid, agressiviteit en gewelddadigheid van de Koran waarop in het vervolg nader zal worden ingegaan.

Nu is het zo dat ook in het Oude Testament zeer moordzuchtige passages voorkomen: “In de steden van nabije volken die Jahwe uw God u in eigendom geeft, moogt gij niemand in leven laten” (Deuteronimium 20,16). Deze woorden zijn echter duidelijk in een ver verleden geplaatst. Zij komen voor in een aan Mozes toegeschreven rede die hij gehouden zou hebben aan de vooravond van de verovering van Kanaän (het latere Palestina) door de joden, circa 1250 voor Christus, na hun uittocht uit Egypte en langdurige verblijf in de woestijn. Dergelijke passages in het Oude Testament speken echter bij de joden al zo’n 2800 jaar geen rol meer ter rechtbaardiging van het voeren van oorlog of van het beoefenen van terreur, om redenen hier hierna zullen worden toegelicht.

Terwijl de volgorde van de Soera’s in de Koran dus louter door hun lengte is bepaald, bestaat iedere Soera op zichzelf weer uit plukken verzen die elkaar op onsamenhangende wijze opvolgen: een uitval tegen de ongelovigen, wordt opgevolgd door voorschriften over het gebed, wordt opgevolgd door een uitval tegen de joden, wordt gevolgd door de voorschriften over het huwelijksleven, enzovoorts. De Koran wordt dan ook, literair gezien, gekenmerkt door een volslagen structuurloosheid die voor westerse lezers verbijsterend is[16] en die des te meer onbegrijpelijk is, omdat de Koran in feite slechts één auteur of beter gezegd bron kent: Mohammed. De hoofdgedachten van de islam — waaronder “Allah heeft de ongelovigen verdoemd en zij zullen in dit nabije leven met geweld worden bestraft en daarna tot in eeuwigheid branden in het vuur van de hel” — worden daarbij tot in den treure herhaald.

5 | Triomf en lijden in Koran en Bijbel

In de korte tijdspanne na het optreden van Mohammed waarbinnen de Koran is neergeschreven, en ook nog vele eeuwen daarna, kende de islam alleen maar verbluffende en indrukwekkende (militaire) triomfen. Die zijn begonnen onder Mohammed: Hij heeft de door hem verkondigde versie van het monotheisme met bloedig geweld opgelegd aan de bewoners van het Arabische schiereiland, door middel van een burgeroorlog waarin wapenstilstanden wederzijds verradelijk werden geschonden en die in 630 definitief door Mohammed werd gewonnen. Hij heeft zich daarbij met militaire middelen meester gemaakt van bijvoorbeeld de Jodenkolonies die zich toen in Arabië bevonden[17] en uiteindelijk van de heilige plaats van het veelgodendom, Mekka. Men kan met recht Mohammed een oorlogszuchtige profeet noemen.[18]

Zijn gewelddadige aanpak is door zijn opvolgers voortgezet, eveneens met succes. Binnen een eeuw hadden de arabische islamieten — sogeheten Saracenen — al onder meer het Miden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje veroverd. Zij stonden toen zelfs al met hun legers in Frankrijk, doch werden vandaar dankzij een door Karel Martel in 732 bij Poitiers gewonnen veldslag tot achter de Pyreneeën teruggedrongen. West-Europa heeft zich daarna meer dan duizend jaar lang op leven en dood tegen de islam moeten verdedigen.[19]

Aan de islamitische heeschappij van Spanje zou eerst in 1492 een einde komen, Aan de oostzijde van Europa hadden de Turken echter inmiddels, in 1453, Constantinopel veroverd, de hoofdstad van het toenmalige Byzantijnse keizerrijk, sindsdien Istanboel genaamd — om zich vervolgens van Griekenland, de Balkan en Hongarije meester te maken.

In 1529 arriveerden zij met hun legers voor de poorten van Wenen waar hen tenslotte een halt werd toegeroepen. Dit laatste moest in 1683 nog een keer herhaald worden.[20] Vanaf circa 1800 zette het verval van het Turkse rijk in.[21] Het zou echter vervolgens nog tot 1918 duren — toen de Turken als bondgenoten van Duitsland de eerste wereldoorlog verloren hadden — aleer hun Oost-Europese veroveringen weer geheel ongedaan gemaakt werden — op Istaboel en enig achterland na.

In de Koran ontbreekt dan ook volkomen de volgende notitie die in de Bijbel volop aanwezig is: dat het de “uitverkoren” aanhangers van de ene ware God niet altijd voor de wind hoeft te gaan; dat zij integendeel ook wel eens door militair superieure “ongelovige” overweldiger tot een treurig en afhankelijk en zelfs levensgevaarlijk bestaan gebracht kunnen worden; en dat dit door God kennelijk wordt toegelaten en zelfs kan zijn beoogd, als een straf voor wangedrag of in ieder geval als een noodzakelijke les.

Een dergelijke boodschap is door de joodse profeten (Jesaja, Jeremia, Ezekiël, Amos, Hosea, etc.) zoor nadrukkelijk verkondigd. Om slechts één citaat te geven (Amos 3,9-11): “Laat het horen in de paleizen van Assur en van Egypte, en zegt: Trekt samen op weg naar de berg van Samaria en ziet, hoe groot de verwarring daar is en de verdrukking binnen zijn muren. Zij weten van geen recht meer, degenen die daar in hun paleizen geweld opstapelen en onrecht. Daarom — zo spreekt Jahwe, de Heer — zal een vijand het land Israël omsingelen, zal hij uw sterkte neerhalen en uw paleizen plunderen.” Hiermee corresponderende ervaringen van de Joden worden in het Oude Testament ruimschoots beschreven: denk aan de verovering en totale verwoesting van het joose Noordrijk (Israël) in 721 v.C. door de Assyriërs, [22] en aan de Babylonische ballingschap die de joden van het Zuidrijk (Juda) vanaf 587 v.C. — na de verovering en verwoesting van Jerusalem door Nebukadnezar[23] — hebben moeten ondergaan. Gebeurenissen als deze — denk ook aan de desastreus verlopen joodse opstand, 66-70 n.C., tegen de toenmalige Romeinse bezetter van Palestina[24] — hebben de joden al zeer lang geleden de onjuistheid doen inzien van het primitieve en oorlogszuchtige godsbeeld dat zij kennelijk aanvankelijk hadden, ten tijde van hun verovering van Kanaän (ca. 1250 v.C.) en nog enkele eeuwen daarna, tot en met de koningschappen van David en Salomo (eindigend ca. 920 v.C.).

In de begintijd waren ook zij er kennelijk nog van overtuigd dat de ene God een oppermachtige krijgsgod zou zijn — aangeduid als “Jahwe van de legerscharen” — die hen als zijn “uitverkoren volk” gegarandeerd de overwinning zou bezorgen bij hun militaire expedities tegen andere volken met andere goden,[25] en die van hen zou verlangen dat zij hun verslagen tegenstanders ter dood brachten.[26] Dit primitieve, exclusieve en later door de joden dus geheel verlaten godsbeeld wordt sprekend vertolkt in het bekende verhaal van de overwinning van David, als herder slechts uitgerust met een slinger, op de Filistijnse militaire reus Goliath (I Samuël 17).

De Christenen waren vanaf den beginne op het accepteren van- en het volharden vanuit een underdogpositie voorbereid, door de boodschap van Jezus — verkondigd terwijl Palestina onder Romeinse overheersing stond — en zijn kruisdood. Vergelijk de uitspraak van Jezus: “Ik zend u als schapen tussen wolven; gij zult overgeleverd worden aan de rechtbanken en gegeseld in de gebedshuizen, en gij zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn naam; wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden” (Mattheüs 10,16-22).[27] De christenen waren hiermee ook al gauw vertrouwd: denk aan de christenvervolgingen door tirannieke en zichzelf vergoddelijkende Romeinse keizers als Nero (keizer 54-68) en Domitianus (keizer 81-96).[28]

De Koran daarentegen biedt de islamieten dus geen enkele steun voor zo’n onderworpen, lijdende positie, anders dan een benadrukking van de primitieve, oorlogszuchtige en op een versterking van de eigen superioriteitsgevoelens gerichte notie dat zij als de “ware gelovigen” uiteindelijk op een militaire overwinning op “de ongelovigen” en op de wereldheerschappij zouden kunnen rekenen, dankzij de steun van de ene God (Allah) die exclusief aan hun kant zou staan: “Versaagt niet en roept niet op tot vrede, daar gijlieden als gelovigen toch de overhand hebt en Allah met u is” (Soera 3,139, Soera 47,35). “Onze dienaren zijn het die tot de overwinning geholpen zullen worden, en Onze legerscharen zullen waarlijk de overwinnenden zijn” (Soera 37,172-173). “geschreven heeft Allah: Overwinnen zullen waarlijk Ik en mijn boodschappers” (Soera 58,21).

Dergelijke verzekeringen en aansporingen laat de Koran dan gepaard gaan met het type agressieve opwekking tot (moorddadige) geweldsuitoefening tegen “de ongelovigen” en de joden dat hiervóór is geciteerd, en met opwekkingen tot zelfopoffering door de islamieten waarvoor een hemelse beloning in het vooruitzicht wordt gesteld, bijv.: “Wie strijdt op de weg Allah’s en dan gedood wordt of overwint, die zullen Wij een ontzaglijk loon geven” (Soera 4,74). “Van diegenen die gedood zijn op de weg van Allah zal hij de daden niet teloor doen gaan; Hij zal hen rechtleiden en hun staat zalig maken, en hen in de Paradijstuin doen binnegaan” (Soera 47,4-6).

Deze aansporingen en opwekkingen worden thans door islamieten in een inferieure positie — denk aan de Palestijnen en Irakezen — op grote schaal opgevolgd door het bedrijven van de ene terreurdaad na de nadere, vaak in de vorm van een zelfmoordactie. Volgens christelijke opvatting houden deze daden de ernstigste misdrijven in die een mens maar kan begaan.[29] Volgens de islamitische plegers ervan en hun sympathisanten zouden het echter voorbeeldige (martelaars)daden zijn — en zij worden in die opinie uitdrukkelijk gesteund door de Koran.

6 | Godsbegrip in Koran en Bijbel

Men kan mijns inziens met recht stellen dat de versie van het monotheïsme zoals die gepropageerd is door Mohammed en vrijwel onmiddellijk daarna is neergelegd in de Koran, met een oorlogszuchtig en exclusief godsbeeld dat het eigen superioriteitsgevoel van de islamieten ondersteunt en de gewelddadige onderwerping van “de ongelovigen” verlangt, vergelijkbaar is met het primitieve beginstadium van het joodse geloof, in de periode 1250-900 v.C. Toen huldigden de joden dus eveneens zo’n godsbeeld, en de feitelijke ontwikkelingen — de verovering van Kanaän, culminerend in de vestiging van het koninkrijk van David en Salomo dat de regio domineerde — leken hen hierbij in het gelijk te stellen.

Doch terwijl de joden langdurig de tijd genomen hebben om latere en voor hen uiterst pijnlijke ervaringen die dit primiteive godsbegrip volstrekt logenstraften, zoals hun onderwerping en verbanning door Assyriërs en Babyloniërs, in hun Tenach (het Oude Testament) te incorporeren, hebben de islamieten hun aanvankelijke en evenzeer primitieve godsbegrip overijld, zonder reflectie of tegenspraak, zonder discussie en bezinning, in de Koran gecanoniseerd en onaantastbaar gemaakt. Zij leken hierbij vervolgens vele eeuwen lang — tot ca. 1800 — door de formidabele en voortdurende militaire triomfen van Saracenen en Turken in het gelijk te worden gesteld. En zij zijn in grote religieuze en psychologische problemen komen te verkeren nu de westerse beschaving zich sedertdien langdurig, met name ook militair, aan hen superieur heeft getoond — in weerwil van de Koran.[30]

Overigens begint de westerse wereld zelf inmiddels ook in steeds ernstiger mate nadelen te ondervinden van deze sinds ca. twee eeuwen verworven superioriteit, in die zin dat kennelijk in brede — en met name ook in opinievormende en leidinggevende — kringen elk (historisch) besef van de (onverdraagzame, oorlogszuchtige en gewelddadige) aard van de islam verloren is gegaan.[31] Dat wreekt zich al lange tijd bij de aanpak van de immigratie van islamieten in West-Europa en bij de discussies over een eventuele toetreding van Turkije tot de EU.

Dat heeft zich eveneens ernstig gewroken bij de aanval die de Amerikanen en Britten in maart 2003 op het Irak van Saddam Hoessein hebben ondernomen. Die aanval heeft weliswaar een eclatant militair succes opgeleverd, maar daarna is een vreedzame heropbouw van Irak vele malen moeilijker en gevaarlijker gebleken dan de “bevrijders” in hun onwetendheid hebben gedacht. Hun simplistische, louter politieke boodschap dat zij “liberty” en “democracy” zijn komen brengen blijkt volstrekt onvoldoende te zijn om begrip en respect, laat staan enthousiaste coöperatie, van Irakezen op re roepen.

Deze “bevrijders” hadden zich moeten realiseren dat democratie slechts mogelijk is op basis van een mensbeeld waarbij alle mensen vrij en gelijkwaardig zijn, behept met rede, met inzicht in wat rechtvaardig en onrechtvaardig is, met kennis van goed en kwaad.[32] En dat dit mensbeeld, dat onverbrekelijk samenhangt met het godsbeeld dat men heeft,[33] nou juist wél ondersteund en versterkt wordt door de Bijbel, de heilig schrift van joden en christenen — zie ook Genesis 1,27: “God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis”,[34] — maar niet door de Koran.[35]

7 | Joodse profeten en Mohammed

In het jodendom zijn het vooral de profeten geweest (zoals Elia, jesaja, Jermia, optredend vanaf ca. 850 v.C.) die het aanvankelijke, primitieve godsbeeld hebben hervormd en de volgende noties in de joodse religie hebben doen doordringen en zegevieren: De ene God staat niet aan de kant van het recht; zie de confrontatie tussen de profeet Elia en koning Achab over de wederrechtelijke onteigening door de laatste van de wijngaard van Naboth (I Koningen 21). De ene God wenst geen rituelen en offergaven door gerechtigheid; zie Jesaja 1, 10-20 en Hosea 6.6). De ene God is geen exclusief bezit van zijn “uitverkoren volk” in casu de joden; zie bijv. Jesaja 45, Amos 9,7 en het boek Jona.

Ook de jood Jezus, stichter van het christendom, stond geheel in deze traditie (en werd dan ook door zijn tijd- en landgenoten met de profeten vergeleken; zie bijv. Mattheüs 16,14): “De duivel toonde Jezus vanaf een hoge berg alle koninkrijken ter wereld, en zegde de heerschappij daarover aan Jezus toe indien deze in aanbissing voor hem neerviel, waarop Jezus antwoordde: ‘Ga weg satan. Want er staat geschreven dat de mens alleen de heer zijn God zal aanbidden en dienen’” (Mattheüs 4,9-10). “Gij weet dat de heersers der volkeren met hun ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen” (Mattheüs 20,25-27). “Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter en ga u eerst met uw broeder verzoenen” (Mattheüs 5,23). “Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leelingen” (Mattheüs 28,19).

De islamieten achten Mohammed een “profeet”, en wel de laatste en verreweg de belangrijkste. “Er is slechts éeen God, Allah, en Mohammed is zijn profeet”; zo luidt, kort samengevat, hun geloofsbelijdenis. De pretentie van Mohammed dat het door hem verkondigde woord rechtstreeks afkomstig was van Allah is inderdaad hetzelfde als die van de Joodse profetenm die hun verkondiging steevast aanvingen met de formule: “Zo spreekt Jahwe uw God” (o.a. Jesaja 1,2, Jeremia 2,4, Ezechiël 5,5, Hosea 4,1, Amos 1,3).

Mohammed bediende zich echter van politieke en militaire machtsmiddelen om de door hem verkondigde versie van het monotheïsme op bloedige wijze, door middels van een burgeroorlog, ingang te doen vinden en de overhand te bezorgen bij zijn arabische landgenoten. Hij geleek dus meer op bijv. Karel de Grote (koning der Franken 768-814 en keizer vanaf 800), die met militair geweld de Saksen in zijn keizerrijk inlijfde en hen het christendom opdrong,[36] dan op de voornoemde joodse profeten inclusief Jezus: Die schuwden dergelijke machtsmiddelen juist volstrekt en werden in de regel zelf slachtoffer van vervolging.[37] Mohammed introduceerde aldus ook een primitief, oorlogszuchtig en exclusief godsbeeld dat door de joodse profeten en Jezus juist volstrekt werd verworpen.

8 | Taalgebruik in de Koran en islamitische godsbeleving

De Koran is geschreven in een omslachtig en zeer bloemrijk proza[38] dat wij als westerlingen geneigd zijn om niet au serieux te nemen. Dit taalgebruik spreekt oosterlingen echter zeer aan. Zij zien het zelfs als een overtuigend bewijs dat de Koran, ondanks de onsamenhangendheid ervan, direct en letterlijk door Allah zou zijn gedicteerd.[39] Een dergelijke taal weet hen ook effectief tot de beschreven en voorgeschreven daden — inclusief het begaan van moorden en het uitdelen van lijfstraffen — aan te zetten.[40]

Een fundamentalistische islamiet is dan ook niets anders — die definitie was ik nog verschuldigd — dan een islamiet die de daad voegt bij het in de Koran neegeschreven woord, die dit woord daadwerkelijk in de praktijk brengt. De Koran eist van islamieten dat zij fundamentalisten zijn, en gaat tegen hen die het “ware” geloof alleen maar met de mond belijden — zogeheten “huichelaars” — bij herhaling tekeer, haast nog heftiger dan tegen de joden, bijv.: “Voor hen is er een pijnlijke bestraffing, omdat zij leugenachtig waren, en Allah spot met hen” (Soera 2,10 & 15). “Wat de huichelaars betreft, indien zij zich afwenden van de weg Allah’s, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen aantreft” (Soera 4,89).[41]

9 | Consequenties, Accomodatie

Is het onderhand niet de allerhoogste tijd dat wij in Nederland en West-Europa de inhoud en strekking van de Koran, de “heilige schrift” van de islam, (weer) serieus gaan nemen? De koran is een religieus boek dat evenals de Bijbel — een pijler van onze westerse beschaving — het monotheïstische geloof propageert, doch dat daarbij — conform de opvattingen en aanpak van Mohammed, echter volstrekt in tegenstelling tot de Bijbel — aanzet tot haat jegens-, en opruit tot het plegen van geweldsmisdrijven tegen andersdenkenden, “de ongelovigen”. De Koran functioneert als het psychologische ontstekingsmechanisme van de fundamentalisitsche islamitische terreur die onophoudelijk en wereldwijd wordt bedreven. Dient de Koran daarom niet verboden te worden? Of staan wij aan de islam, die — zoals wij gezien hebben — onze staatsinrichting met de scheiding van kerk en staat niet accepteert, ook een voor alle burgers levensgevaarlijke uitzondering toe op het Wetboek van Strafrecht en dus op onze openbare orde en veriligheid?[44]

Daarvoor hoeven wij omgekeerd van de zijde van fundamentalistische islamieten geen enkele dankbaarheid, respect, terughoudendheid, reciprositeit of dergelijke te verwachten.[45] Hen wordt immers voorgehouden: “Bestrijdt de ongelovigen todat er geen verzoeking meer is, en de godsdienst geheel aan Allah behoort” (Soera 8,39). Leggen wij ons daarbij neer, gevolg gevend aan het christelijke voorschrift: “Verdelg het onkruid dat tussen het tarwe opschiet niet, doch wacht op de oogst” (lees: het laatste oordeel; Mattheüs 13-24-30)? Wij kunnen ons er dan in ieder geval op beroepen dat wij niet alleen de ene, maar ook de andere wang hebben toegekeerd, en dat het dus niet aan ons ligt wanneer er geen vreedzame coëxistentie met de islam tot stand komt. Of realiseren wij ons, in navolging van Machiavelli, dat zo’n aanpak wel eens “de overlevering van onze samenleving aan schurken” zou kunnen inhouden, en houden wij ons aan het eveneens christelijke voorschrift: “het gezag is door God ingesteld en draagt het zwaard niet voor niets, nl. om aan de boosdoener de rechtvaardige straf te voltrekken” (Paulus’ brief aan de Romeinen 13,1-4)?

Wij moeten ons daarbij realiseren dat de haatzaaiïng en opruiïng tot gewelddaden door middel van de Koran zich vrijwel geheel aan onze westerse ogen onttrekt, hetgeen deze des te gevaarlijker maakt. Er bestaat voor islamieten namelijk slechts één authentieke versie van de Koran, in het Arabisch.[46] Vertalingen worden door hen niet erkend omdat die afbreuk doet aan het bloemrijke taalgebruik in het Arabisch — volgens de islamieten dus het bewijs dat de Koran rechtstreeks van Allah afkomstig zou zijn. De onwetendheid van niet-islamieten over de inhoud van de Koran wordt daarnaast nog eens bevorderd doordat de inhoud jegens hen door islamieten gedissimuleerd pleegt te worden. En wanneer er al eens op voor islamieten onwelgevallige wijze uit de Koran geciteerd wordt, dan is een veel voorkomende reactie dat de vertaling onjuist zou zijn.

Ook de ideologie van het nationaal-socialisme stond fundamenteel vijandig tegenover de westerse, joods-christelijke beschaving, en datzelfde gold voor de ideologie van het communisme — zoals wij ten koste van tientallen miljoenen slachtoffers hebben moeten ervaren. Laten wij nou eindelijk eens lereing trekken uit de geschiedenis, zoals bijvoorbeeld Machiavelli gedaan heeft: “mensen komen vaak bedrogen uit als ze denken arrogantie met inschikkelijkheid te kunnen beteugelen; inschikkelijkheid blijkt heel vaak niet alleen zinloos maar zelfs schadelijk, vooral ten opzichte van agressieve opponenten” (Discorsi 2-14,1-2). In plaats daarvan hebben wij ons echter tot dusver, wat de islam betreft, door ideologische platitudes en gemakzuchtig “wishful thinking” — en over de vanzelfsprekendheid van een vreedzame coëxistentie, ofwel accomodatie tussen de islam en onze westerse en joods-christelijke samenleving en cultuur — en dus in feite door luiheid, lafheid en verwijtbare onwetendheid omtrent elementaire feiten laten verleiden tot een herhaling van dezelfde fouten waarvan wij toch in het recente verleden zulke rampzalige gevolgen hebben ondervonden.[48]

Het verspreiden en openbaarmaken, en het daartoe in voorraad hebben, van de Koran in zijn huidige vorm — met zijn talrijke uitlatingen die beledigend en discriminerend en bedreigend zijn jegens, en aanzetten tot haat jegens, en tot het plegen van geweldsmisdrijven (zelfs moord en doodslag) tegen niet-islamieten in het algemeen (“de ongelovigen”) en jegens/tegen joden en niet fundamentalistische islamieten (zogenaamde “huichelaars”) in het bijzonder — houdt een ernstig misdrijf in (art.137e en art.132 Wetboek van Strafrecht). Daaraan dienen bijbehorende consequenties te worden verbonden,[49] en de vrijheid van godsdienst vormt hiervoor geen belemmering, integendeel.

Indien zich in ons land bijvoorbeeld aanhangers zouden vestigen van een religie die het brengen van mensenoffers vereist,[50] dan kan ook dit niet worden getolereerd. Het is evenmin acceptabel, en het levert eveneens een strafbaar feit op (art.449 Wetboek van Strafrecht), indien een religieuze groepering hier te lande polygamie zou propageren en zou wensen te bedrijven.[51] De godsdienstvrijheid is niet absoluut, maar geldt “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” (art.6 Grondwet). De strafwet mag ook en zeker in godsdienstig verband niet worden geschonden. De joodse en christelijke religies vergen van hun aanhangers aanzienlijk méér dan alleen hun inachtnemen van de strafwet.[52]

Wat de Koran betreft zou een praktische, accomoderende oplossing kunnen zijn dat daarvan (door islamitische redacteuren) een legale versie wordt vastgesteld, waarin alle opwekkingen tot haat en tot het plegen van misdrijven zijn geëlimineerd. Zo’n beschaafde versie — en vertaligen daarvan — kan/kunnen dan wél; voor de verspreiding, het gebruik en de verkondiging in Nederland worden vrijgegeven.

Atatürk, onder wiens leiding Turkije in 1922 drastisch hervormd is, zag de islam als een hoofdoorzaak van de achterlijkheid van het Ottomaanse rijk. Hij heeft echter destijds nagelaten om de verspreiding en openbaarmaking van de Koran in Turkije te beperken tot een aldus gezuiverde, beschaafde versie. Dit zou wel eens een belangrijke oorzaak kunnen zijn waarom Turkije het nog steeds niet heeft gebracht tot een seculiere democratie naar westers model, met respectering van de mensenrechten.

De voornoemde aanpak moet in ieder geval kunnen rekenen op een grote steun van de zijde van de islamieten in ons land. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de mediarapportages die gewijd zijn geweest aan de moord (op 2 november 2004 te Amsterdam) door Mohammed Bouyeri op cineast Theo van Gogh: (Vrijwel) alle islamieten die daarbij aan het woord kwamen, gaven de verzekering dat zij de islam op een vreedzame wijze willen belijden en dat zij een fundamentalistische geloofsbeleving — waarin metterdaad gevolg gegeven wordt aan de opruiïngen in de Koran — van de hand wijzen. Ook de overgrote meerderheid van de islamieten in ons land — die kennelijk bestaat uit niet-fundamentalisten (“huichelaars” dus, volgens de Koran) — is de tot haat en geweld aanzettende passages in de Koran liever kwijt dan rijk.[53] Om het in christelijke termen te formuleren (vgl. de parabel van de zaaier, Mattheüs 13,4-23): Het kwaadaardige zaad van de Koran valt bij slechts een fractie van de islamieten in vruchtbare bodem. Maar daar levert het dan wel — en dat is het probleem — honderdvoudig schadelijke vrucht op.

In de jaren omstreeks 1985 werd door het christelijke echtpaar Goeree een eigen aanstootgevende Bijbel-interpretatie gepropageerd, door middel van privé-zendingsactiviteiten — die op veel kleinere schaal plaatsvonden dan waarvan sprake is bij de verspreiding van de Koran — op vreedzame wijze en met gebruikmaking van de Nederlandse taal, dus openlijk en controleerbaar, anders dan bij de Koran het geval is. Die Bijbel-interpretatie was vele malen onschuldiger dan de hiervóór geciteerde Koranteksten: Het echtpaar betoogde dat al datgene wat de joden vanaf omstreeks 33 n.C. is overkomen, met name ook de vervolging van- en moord op 6 miljoen joden door het Nazi-regime, aan henzelf te wijten is omdat zij bij het proces van Jezus voor Pilatus gekozen hadden, voor vrijlating van de moordenaar Barabbas en voor kruisiging van Jezus (Mattheüs 27,15-26). Deze opvatting werd niettemin kwetsend jegens joden geacht, en aan het echtpaar is deswege een strafrechtelijke veroordeling en een civielrechtelijk verspreidings- en openbaarmakingsverbod opgelegd, door de Nederlandse rechter op initiatief van joodse en christelijke organisaties en van het Openbaar Ministerie.[54]

Waar wachten wij dan nog op wat de Koran betreft, die de privé opvattingen van de oorlogszuchtige arabier Mohammed (ca. 570-632) over het monotheïsme weergeeft, en die — met volstrekte en grove ondermijning van onze rechtsorde — de wijze waarop Mohammed zijn opvattingen destijds op het Arabische schiereiland heeft weten doen zegevieren — met politieke en militaire, bloedige machtsmiddelen — aan de islamieten ter navolging voorhoudt? Alsof dat de opdracht zou zijn van de ene, eeuwige en universele, rechtvaardige en barmhartige God, schepper van hemel en aarde, die van ons liefde, hoop en trouw vraagt.[55]

———————

Noten:

1. Zie bijv. het artikel ‘Integratie hapert, vindt de politiek’ in NRC Handelsblad van 13 december 2005, waarin onder meer wordt vermeld: Marokkaanse en Turkse kinderen hebben nog steeds aan het einde van de bassisschool een acherstand van gemiddeld 2 tot 2,5 jaar. De jeugdwekloosheid onder Turkse en Marikkaanse jongeren is 24 provent. De segregatie in de grote steden neemt toe doordat met name Turken en Marokkanen in steeds sterkere mate bij elkaar gaan wonen. Zowel van de autochtone Nederlanders als van de Turken en Marokkanen vindt de helft dat de westerse leefwijze niet samengaat met die van islamieten.
2. In Turkije worden islamieten zie zich tot het christendom bekeren nog steeds dodelijk belaagd, en wordt christenen het leven zodanig onmogelijk gemaakt dat zij in de afgelopen 40 jaar massaal — met ca. 150.000 — zijn geëmigreerd: zie bijv. het artikel ‘Christenen betalen de rekening uit het verleden’ in NRC Handelsblad van 25 november 2006.
3. Ik beschik over de 8e druk, van 1982, uitgegeven door Elsevier.
4. Mijn citaten uit de Bijbel zijn ontleend aan de zg. Willibrord vertaling (Katholieke Bijbelstichting) van 1975.
5. Dit diet denken aan de folterbeschrijvingen die Dante Alighieri (1265-1321) heeft opgenomen in zijn ‘Inferno’ (Hel), het eerste deel van zijn ‘Divina Commedia’. Het grote verschil is dat Dante de door hem beschreven pijnigingen beperkt tot lieden die ondeugdzaam geleefd hebben of zelfs misdrijven hebben begaan. Deugdzame ongelovigen verkeren bij hem in de eerste kring van de hel, waar geen straffen worden uitgedeeld doch men alleen verstoken is van de aanschouwing tot God.
6. Vgl. de conclusie van B.J.M. Hulsman, in het artikel ‘De Koran is wel degelijk een bruter boek dan de Bijbel’, NRC Handelsblad (opiniepagina) van 11 november 2004: “Het is verbazend dat de meeste moslims, die elke vrijdag in de moskeën stukken uit de heilige Koran krijgen voorgelezen, nog met ongelovige Nederlanders praten.”
7. De uitgesproken vijandschap van de islam jegens de joden dateert dus van ver vóór het Zionisme en de vestiging, na 1945, van de Israëlische staat. Flavius Josephus heeft ca. 75 n.C. al geschreven, in zijn ‘De Joodse oorlog’ (vert. F.J.A.M. Meijer & M.A. Wes, Ambo, Baarn 1992), over de haat van de Arabieren jegens de joden. Die resulteerde destijds o.a. in een moordexpeditie in Judea (zie a.w. 2,68-76), en in het beroven en vermoorden van de joden die ca. 70 n.C. het door de Romeinen belegerde Jeruzalem ontvluchtten (zie a.w. 5,550-552).
8. Vgl. de volgende uitspraken ven de Syrische imam Fawaz Jneid, die in november 2004 weigerde om minister Verdonk de hand te schudden, in een interview in De Volkskrant van 4 december 2004 (onder de titel ‘Er moet ruimte zijn voor orthodoxe moslims’): “het zijn onwetenden, psychisch gestoorden die politiek en religie willen onderscheiden. katholieken maaken dat onderscheid. In de Islam bestaat dat onderscheid niet.”
9. In Leviticus 24,15-16 is eveneens de doodstraf geseld op een schending van het derde gebod (Exodus 20,7, Deuteronomium 5,11). In Nederland is godslastering strafbaar met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden (art. 147 sub I Wetboek van Strafrecht). In de prakijk gaat de godslasteraar hier zelfs al gauw vrijuit: zie het strafproces tegen de schrijver G.K. van het Reve, die God beschreef als een ezel waamee hij de homosexuele liefde kon bedrijven (arrest d.d. 2 april 1968 vqan de Hoge Raad, NJ 1968, 373).
10. De meest ‘moorddadige’ tekst in het Nieuwe Testament is waarschijnlijk: “heel het aanwezige volk van Joden rieo: ‘Het bloed van Jezus kome over ons en onze kinderen” (Mattheüs 27,25). Deze tekst is misbruikt om jodenvervolgingen te rechtvaardigen. Zie ook het vervolg.
11. Zie zijn politiek-historische werk Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio, 2-2, 34 (vert. door Paul van Heck, Discorsi – Gedachten over staat en politiek, Ambo, Amsterdam 1997).
12. Vgl. J.J.M.. van der Ven, in zijn dissertatie De zorgvuldigheidsnorm krachtens art. 1401 BW toegepast door de Hoge Raad (1941): “De moraal vindt men wellicht gepredikt en geprezen, maar in het dagelijkse leven wordt zij nu eenmaal niet gevolgd” (p. 17-18).
13. Zie bijv. de inleiding van J.H. Kramers bij zijn Koran-vertaling.
14. S. Freud (zie zijn: Der Mann Moses und die monotheistische Religion, Fischer, Frankfurt am Main 1987, p. 43) plaatste de uittocht kort na het optreden van de Egyptische farao Echnaton (ca. 1361-1340 v.C.). Die introduceerde voor de eerste keer in de (bekenden) geschiedenis een monotheïstisch geloof, de religie van Aton (afgebeeld als een zonneschijf), dat zich in Egypte echter slechts gedurende het leven van deze farao heeft weten te handhaven.
15. Vgl. de observatie die al door de Griekse geschiedschrijver Herodotus (ca. 490-420 v.C.) is gedaan, nl. dat mensen zich godenbeelden scheppen naar hun eigen beeld en gelijkenis: Kelten hebben roodharige goden, Nubiërs hebben zwarte goden, etc.
16. Aldus ook J,H, Kramers in de inleiding bij zijn Koran-vertaling. De islamitische opvatting dat de Koran een monoloog van Allah zou zijn lijkt mij dan ook, gezien de structuurloosheid, moeilijk te rijmen met de opvatting — die joden, christenen en islamieten delen — dat God de schepper van het heelal is. Want scheppen houdt het allereerst in: orde brengen in chaos. Zie Genesis 1.1-31, Soera 67,3 en ook Ovidius, Metamorfosen 1,5-88 (vert. door M. d’Hane-Scheltema, Athaneum, Amsterdam 2000).
17. De jodenkolonies zijn in een reeks van bloedige verldtochten door Mohammed uitgeschakeld. De bezittingen van de joden werden door hem in beslag genomen, terwijl de overlevenden werden verdreven of als slaaf verkocht. Zie bijv. J.H. Kramers in de inleiding bij zijn Koran-vertaling.
18. Dit is treffend getyperd door de prent [door Kurt Westergaard] van Mohammed — met arabische Koran tekst en bom in zijn tulband — die in februari 2006 gepubliceerd is door de Deense krant Jyllands Posten en zoveel opzien heeft gebaard. “Eén beeld zegt zoms meer dan duizend woorden.” Christen- en jodendom worden vaak getypeerd met het beeld van een gekruisigde Jezus Christus resp. van een wetgevende Mozes op de berg Sinaï.
19. Zie voor een epische beschrijving hiervan bijv.: Torquato Tasso, Gerussalemme liberta, 1581.
20. Deze worsteling in 1683 is uitvoerig beschreven in James A. Mitchener, Poland (New York, 1983). De Poolse koning Jan Sobieski voerde destijds het opperbevel over de westers-christelijke troepen.
21. Zo werd Griekenland in 1829 onafhankelijk, en in hetzelfde jaar namen de Russen Adrianapol (in Zuid-Bulgarije) in. Frankrijk bezette in 1830 Algiers.
22. Hiervoor was door een profeet als Amos gewaarschuwd.
23. Hieraan zijn bijv. de Klaagliederen van Jeremia gewijd.
24. Beschreven in: Flavius Josephus, a.w.
25. Zie bijv, Jozua 1.5-6: “Niemand zal u kunnen weerstaan al de dagen van uw leven, want ik zal met u zijn; wees sterk en moedig” en Deuteronomium 21,1: “Als gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en ziet dat zij veel meer paarden, wagens en soldaten hebben dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn, want Jahweh uw God is met u”.
26. Zie bijv. I Samuël 15,1-3: “Samuël sprak tot Saul: “Mij heeft Jahwe gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over Israël; luister dus naar het woord van Jahwe. Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ik ga de Amalekietten straffen, want zij hebben Israël de weg versperd toen het optrok uit Egypte. Rukt dus uit en slaat de Amalkieten neer en voltrekt de ban aan alles wat hun toebehoort; spaart hen niet maar brengt allen ter dood, mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.”
27. Zie bijv. ook: “Zalig zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen. Zalig zijt gij wanneer met u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel” (Mattheüs 5,10-12).
28. Zie bijv. Tacitus, Annales XV,44 (vert. M.A. Wes, Den Bosch 2000).
29. Een zelfmoordaanslag opvoorbijgangers, met de pretentie aldus een martelaarsdaad te verrichten, houdt een moorddadig verraad van medemensen en een blasfemisch verraad van God in, en wordt gestraft in de onderste kringen van Dante’s Inferno (canto’s 31-34). Voor de christelijke opvatting over het martelaarschap, zie bijv.: T.S. Eliot, Murder in the cathedral (1935).
30. Om die reden hebben ook de kruistochten in de Middeleeuwen — waarin het christelijke Europa zich militair, dus met onchristelijke middelen, tegen de Islam opgewassen toonde — op de islamieten een onuitwisbare indruk gemaakt. Mohammed Bouyeri maakte hier bijv. melding van in het grafschrift dat hij na zijn moord op cineast Theo van Gogh, op 2 november 2004 te Amsterdam, in diens borst vastgestoken achterliet.
31. Een recent voorbeeld in juridische kring is: E.J. Dommering, De Deense beeldenstorm (NJB 2006/11, p. 634-638). In dit artikel wordt o.a. de mening verkondigd dat de islamitische teroristen ‘gemeten’ zouden moeten worden naar ‘de vredelievende normen van hun geloof’, dat de islam net zo gemakkelijk te accomoderen zou zijn in onze geseculariseerde samenleving als de christelijke en joodse religies, en dat een confrontatie met de islam uit de weg dient te worden gegaan.
32. Op een dergelijk mensbeeld berustte ook in 500-400 v.C. de democratie in Griekse stadsstaten als Athene: zie bijv. de tragedie De Perzen van Aischylos en de Protagoras-dialoog van Plato.
33. Zie ook het dubbel antwoord van Jezus op de vraag wat het voornaamste gebod is in de joodse Wet (Mattheüs 22,37-40). Vgl. het feit dat Sokrates, die de Atheense democratie bespottelijk maakte, ca. 400 v.C. (mede) beschuldigd werd van ‘ongeloof in de goden’ (zie de Apologie van Plato).
34. Het is geen toeval dat uitgerekend op dit Bijbelwoord door de Amerikanen een beroep is gedaan in hun onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776.
35. Ook in de Koran komt een scheppingsverhaal voor, dat enkele keren wordt herhaald. De eerste instantie ervan (Soera 2,30-39) eindigt met de discriminerende en bedreigende woorden: “Zij die ongelovig zijn en Onze tekenen voor leugen verklaren, zijn de lieden van het Vuur waarin zij eeuwig zullen vertoeven.”
36. Zie bijv.: Hellmut Diwald, Heinrich der Erste (Gustav Lübbe, Bergisch Gladbach 1987), p. 36-39.
37. Vgl. de uitroep van Jezus: “Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden!” (Mattheüs 23,37). Dit wordt in de Koran bevestigd: “Allah heeft vroeger de profeten gezonden als verkondigers en waarschuwers; … hen troffen teistering en tegenspoed” (Soera 2,213-214).
38. J.H. Kramers karakteriseert, in de inleiding bij zijn Koran-vertaling, de uitspraken in de Koran als ‘magische spreuken en formules’.
39. Zie bijv.: J. Jomier, Bijbel en Koran – analyse van een heilig boek, uitg. De Haan 1982. Het arabische woord Koran betekent: oplezing.
40. Bij de goederen die de islamitische terroristen hadden achterge;aten die in september 2001 de aanslagen in de VS hebben gepleegd, zijn Koranteksten aangetroffen. In het geschrift dat Mohammed Bouyeri op 2 november 2004 in de borst van de door hem in Amsterdam vermoorde cineast Theo van Gogh vastgestoken heeft achtergelaten, werd zeer uitvoerig uit de Koran geciteerd. Vgl. de conclusie van B.J.M. Hulsman in zijn voornoemde opinie-artikel in NRC Handelsblad: ‘Het is niet verbazend dat islamitische fundamentalisten als Mohammed Bouyeri met de Koran in de hand aan het moorden zijn geslagen.’
41. Vgl. het feit dat, volgens het voornoemde interview in De Volkskrant, de Syrische imam Fawaz Jneid destijds in een nieuwsbrief fel heeft uitgehaald naar moslims die menen dat moslimmanen wel degelijk vreemde vrouwen mogen aanraken: Die verlichte moslims zijn volgens hem ‘hypocriet en hoogmoedig’.
42. Volgens opgave van de Iraakse Minister van Gezondheid Ali al-Shemari (zie NRC Handelsblad, 10 november 2006) zijn er in totaal in Irak, sinds de Amerikaans-Britse aanval op Saddam Hoessein in maart 2003, 150.000 burgers om het leven gekomen, merendeels door sektarisch geweld.
43. De affaire Abdul Rahman, beschreven bijv. in het artikel ‘Zorg om Afghaanse christen’ in NRC Handelsblad van 22 maart 2006.
44. Deze vraag heeft kardinaal Renato Raffaele Martino onlangs namens het Vaticaan beantwoord: “Een elementaire eis waaraan immigranten dienen te voldien is dat zij de wetten, de traditie, de cultuur, de religie en de symbolen respecteren van het gastland waar zij willen gaan leven.” Zie het artikel ‘Vaticaan tegen gezichtssluier’ in NRC Handelsblad van 15 november 2006.
45. Vgl. het ondankbare en brutale optreden van de Syrische imam Fawaz Jneid, die in ons land werkzaam is dankzij onze godsdienstvrijheid, doch in het voornoemde interview (in De Volkskrant) diegenen die politiek en religie willen scheiden — dus ook ons Nederlanders, zijn gastheren — tot ‘onwetenden en psychisch gestoorden’ bestempelde. In datzelfde interview verklaren islamitische jongeren: ‘Zijn optreden bengt ons ertoe om te rade te gaan bij de bron, de Koran, waar we dan met eigen ogen constateren dat hij gelijk heeft’.
46. Voor de Turken geldt hierop sinds de hervormingen door Atatürk een uitzondering die overigens omstreden is.
47. Een treffend voorbeeld is het arrest OM/X. (Hof Den Haag 18-11-2002, NJ 2003, 24) waarin het hof een vrijspraak bevestigde van een islamiet aan wie ten laste was gelegd: aanzetten tot haat jegens en/of discriminatie van homosexuelen. De correcte vertaling van het negatief-beladen en door de verdachte ter karakterisering van homosexualiteit gebruikte woord ‘marat’ (ziekte) werd daar door/namens hem ter discussie gesteld, en het hof nam bij zijn uitspraak mede in acht: ‘de omstandigheid dat de verdachte in een niet uitgezonden gedeelte van het interview te kennen gaf dat de islam verbiedt anderen lastig te vallen en dat de moslim respect moet geven aan iedereen’.
48. Zie bijv. de funeste ‘appeasement’-politiek van de Britse premier Chamberlain jegens Hitler aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, en de geruststellende oproep die de Nederlandse minikster prsident Colijn kort vóór de Duitse aanval (10 mei 1940) op ons land aan de bevolking deed: ‘Gaat u maar rustig slapen’.
49. Van deze misdrijven is aangifte gedaan. Het OM (hoofdofficier van justitie B.M.J. Steensma te Haarlem en advocaat-generaal N.J. van der Werf te Amsterdam) heeft geweigerd om tot opsporing en vervolging over te gaan. Het Gerechtshof Amsterdam (mrs D.J.C. Aben. A.H.A. Scholten en I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen) heeft vervolgens op 16 januari 2007 geweigerd, na een klacht op grond van art.12 Wetboek van Strafvordering, om het OM bevel tot strafvervolging te geven.
50. De Azteken in Mexico brachten destijds, ca. 1500, mensenoffers aan hun goden, en evenzo de heidense Arabieren ten tijde van Mohammed: zie Soera 6,136-140. De joodse koningen Achaz (koning van Juda, ca. 730-710 v.C.) en Manasse (idem, ca. 680-640 v.C.) offerden zelfs, volkomen in strijd met de joodse religie, doch overeenkomstig de gewoonten van de omringende volken, hun eigen zoons: zie 2 Koningen 16,3 en 21,6.
51. De Mormonen deden dit oorspronkelijk en hebben deswege felle bestrijding ondervonden. De islam staat overigens nog steeds polygamie toe: zie Soera 4,3.
52. Zie bijv. F. Boerwinkel, Meer dan het gewone (Ambo, Baarn 1977), over de betekenis en consequenties van Jezus’ bergrede.
53. Vgl. het voornoemde artikel in NRC Handelsblad van 15 november 2006: Daarin wordt aan het Vaticaan het standpunt toegeschreven dat de islam zijn verleden, incl. Koranteksten kritisch moet heroverwegen, en dat de meerderheid van de islamieten niets moet hebben van de islamitische terreurdaden en het sektarische geweld, die religieus gemotiveerd zijn.
54. Zie de arresten d.d. 5 juni 1987 van de Hoge Raad (AB 1988, 276; civielrechtelijke veroordeling) en d.d. 19 maart 1989 van het Hof Leeuwarden (NJ 1989, 810; strafrechtelijke veroordeling).
55. Vgl. de samenvattingen van de joodse Wet die Jezus gegeven heeft in Mattheüs 22.37-39 en 22,23.

———————

De auteur, M.S.H. Frankenvrij, heeft onder een andere naam gepubliceerd over onder meer: staatsrecht en staatkundige vernieuwing en burgerlijke ongehoorzaamheid. Dit artikel is in gedrukte vorm verschenen in Liberaal Réveil (uitg. Teldersstichting; No.1 (maart) – 2007, pp. 32-45) en sindsdien in fotokopie als pdf beschikbaar en op Scibd (voor leden).